EU-Hof: pushbacks en bewaring aan de buitengrenzen op zichzelf nog geen beletsel voor Dublin-overdracht

Contentverzamelaar

EU-Hof: pushbacks en bewaring aan de buitengrenzen op zichzelf nog geen beletsel voor Dublin-overdracht

Pushbacks en onrechtmatige bewaring aan de grensdoorlaatposten van een lidstaat zijn onverenigbaar met het EU-recht en vormen ernstige tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers. Dergelijke tekortkomingen kunnen de overdracht van een asielzoeker onder het Dublin-systeem echter slechts beletten indien die tekortkomingen resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU-Handvest van de grondrechten. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Nederlandse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 29 februari 2024 in de zaak C-392/22, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Achtergrond

In de onderhavige zaak gaat het om een geding tussen X, een Syrische onderdaan, en de Nederlandse Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: de Staatssecretaris) over het besluit van de Staatssecretaris om het asielverzoek van X niet in behandeling te nemen, omdat Polen de verantwoordelijke lidstaat is. Polen heeft een verzoek van Nederland om X terug te nemen ingewilligd, waardoor X kan worden overgedragen aan de Poolse autoriteiten. X is bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Bosch (hierna: de verwijzende rechter), opgekomen tegen de tenuitvoerlegging van zijn overdracht naar Polen. Hij voert aan dat hij slachtoffer is geweest van pushbacks aan de grens tussen Polen en Belarus, en vervolgens onder erbarmelijke omstandigheden in bewaring is gehouden aan een Poolse grensdoorlaatpost.  

De verwijzende rechter heeft prejudiciële vragen aan het EU-Hof voorgelegd. Daarmee vraagt hij in wezen om verduidelijking van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de Dublin III-verordening . Die bepaling geeft twee cumulatieve voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om te beletten dat een asielzoeker wordt overgedragen aan de lidstaat die op grond van de criteria van de Dublin III-verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek (hierna: de verantwoordelijke lidstaat). In de eerste plaats moet er sprake zijn van ‘systeemfouten’ in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen van de verantwoordelijke lidstaat. In de tweede plaats moeten die systeemfouten resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU-Handvest.

EU-Hof

Recht op toegang tot een asielprocedure

Het EU-Hof oordeelt dat de pushbacks en de bewaring aan de grensdoorlaatposten onverenigbaar zijn met het EU-recht, in het bijzonder het recht op toegang tot een procedure voor de toekenning van asiel of subsidiaire bescherming (artikel 6 van de Procedurerichtlijn). Zij vormen ernstige tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers. Maar daaruit volgt volgens het EU-Hof niet noodzakelijkerwijs dat deze tekortkomingen voldoen aan de twee cumulatieve voorwaarden van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de Dublin III-verordening om de overdracht te beletten.

Beoordeling van de voorwaarden

Het EU-Hof verduidelijkt hoe de voorwaarden moeten worden beoordeeld. Met betrekking tot de eerste voorwaarde (systeemfouten) moet de verwijzende rechter volgens het EU-Hof nagaan of de vastgestelde tekortkomingen in Polen voortduren. Daarnaast moet de verwijzende rechter nagaan of zij, in het algemeen, betrekking hebben op de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming (asiel/subsidiaire bescherming) verzoeken of, op zijn minst, op bepaalde groepen van personen die om internationale bescherming verzoeken in hun geheel. Als voorbeeld van zo’n groep noemt het EU-Hof de groep van personen die om internationale bescherming verzoeken nadat zij de grens tussen Polen en Belarus overschreden of probeerden te overschrijden. Mocht blijken dat daaraan is voldaan, dan zouden de tekortkomingen volgens het EU-Hof als systeemfouten kunnen worden aangemerkt.

Met betrekking tot de tweede voorwaarde moet de verwijzende rechter volgens het EU-Hof twee punten onderzoeken. In de eerste plaats of er ernstige, op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat verzoeker X in geval van overdracht een reëel risico zou lopen om opnieuw naar de grens tussen Polen en Belarus te worden gebracht en aldaar naar Belarus te worden teruggestuurd (pushback), eventueel voorafgegaan door bewaring aan een grenspost. In de tweede plaats of X zou worden blootgesteld aan een situatie van zeer verregaande materiële ontberingen die hem niet in staat stelt te voorzien in de meest elementaire behoeften (zoals eten, zich wassen, beschikken over woonruimte), welke situatie negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid, of die hem in een toestand van vernedering zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid.

Bij die beoordeling moet de verwijzende rechter uitgaan van de situatie waarin verzoeker zich bij of na de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat zou kunnen bevinden en niet die waarin hij zich bevond toen hij het grondgebied van die lidstaat aanvankelijk betrad.

Relevante informatie

Ten slotte gaat het EU-Hof in op de informatie die relevant is bij de beoordeling van het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling wegens systeemfouten. De EU-lidstaat die om overdracht verzoekt moet onder meer rekening houden met alle informatie die hem door de betrokken asielzoeker wordt verstrekt, met name wat betreft het eventuele bestaan van een reëel risico op een met artikel 4 EU-Handvest strijdige behandeling bij of na overdracht van deze asielzoeker. Ook dient die lidstaat op eigen initiatief rekening te houden met relevante informatie waarvan hij niet onkundig kan zijn met betrekking tot mogelijke structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in de betrokken lidstaat.

Meer informatie: