EU-Hof: Werkloos geworden EU-burger met schoolgaande kinderen heeft in gastlidstaat recht op gelijke behandeling bij toekenning uitkeringen

Contentverzamelaar

EU-Hof: Werkloos geworden EU-burger met schoolgaande kinderen heeft in gastlidstaat recht op gelijke behandeling bij toekenning uitkeringen
Een kind dat in de gastlidstaat onderwijs volgt en een werkloos geworden ouder die het gezag over het kind uitoefent hebben een autonoom verblijfsrecht in de gastlidstaat. De ouder en het kind met zo’n verblijfsrecht hebben recht op gelijke behandeling bij de toekenning van uitkeringen. De toekenning van uitkeringen aan een EU-burger met een dergelijk autonoom verblijfsrecht mag daarom niet automatisch worden geweigerd op de enkele grond dat deze EU-burger werkzoekende is. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Duitse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 6 oktober 2020 in de zaak C-181/19, Jobcenter Krefeld .

JD is Pools staatsburger en heeft twee minderjarige dochters. In 2013 zijn alle gezinsleden van Polen naar Duitsland verhuisd. JD is sinds maart 2015 in Duitsland werkzaam. Hij had verschillende banen in Duitsland. Tussen eind 2016 en januari 2018 was JD werkloos. De dochters gaan sinds 1 augustus 2016 in Duitsland naar school.

Tussen september 2016 en juni 2017 ontving JD een subsidiaire werkloosheidsuitkering en gezinsbijslag voor zijn dochters (hierna: “uitkeringen”). In juni 2017 heeft JD een verzoek ingediend voor de doorbetaling van deze uitkeringen. Het Jobcenter Krefeld (hierna: Jobcenter) heeft dit verzoek afgewezen, omdat JD eind 2016 werkloos was geworden en alleen in Duitsland verbleef om te zoeken naar werk. De Duitse wetgeving staat niet toe dat uitkeringen worden toegekend aan buitenlanders die alleen een verblijfsrecht hebben om werk te zoeken.

JD en zijn dochters hebben beroep ingesteld tegen de afwijzing van het verzoek. De rechter in eerste aanleg heeft het besluit van het Jobcenter vernietigd. Jobcenter is in hoger beroep gegaan tegen het vonnis van de rechter.

De rechter in deze zaak stelt ten eerste vast dat zowel een schoolgaand kind van een voormalig migrerend werknemer als de ouder die het gezag over het kind uitoefent een autonoom verblijfsrecht hebben op grond van artikel 10 van verordening 492/2011 betreffende het vrij verkeer van werknemers binnen de EU . Deze autonome verblijfsrechten bestaan onafhankelijk van de vraag of de ouder nog een baan in de gastlidstaat heeft (zaak C-480/08 ). De rechter vraagt aan het EU-Hof of EU-burgers met zulke autonome verblijfsrechten zich kunnen beroepen op het recht op gelijke behandeling bij de toekenning van sociale voordelen, zoals uitkeringen ( artikel 7, lid 2, verordening 492/2011 ). In dit verband wil de rechter ook weten of het gastland een recht op sociale bijstand, zoals uitkeringen, kan weigeren wanneer het om een EU-burger gaat die op zoek is naar werk ( artikel 24, lid 2 van richtlijn 2004/38 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden ).

De rechter in deze zaak stelt in de tweede plaats vast dat de uitkeringen die centraal staan in deze zaak bedoeld zijn om de bestaansmiddelen van JD en zijn dochters te waarborgen. Dergelijke uitkeringen zijn bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties in de zin van verordening 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (zaak C-67/14 ). Artikel 4 van verordening 883/2004 is op deze prestaties van toepassing (zaak C-333/13 ) en bepaalt dat onderdanen van andere lidstaten hetzelfde moeten worden behandeld als eigen onderdanen bij de toepassing van de voorwaarden voor de toekenning van uitkeringen. De rechter vraagt aan het EU-Hof of het automatisch weigeren van het toekennen van uitkeringen verenigbaar is met het beginsel van gelijke behandeling, zoals neergelegd in artikel 4 van verordening 883/2004.

EU-Hof

Met betrekking tot de eerste vraag oordeelt het EU-Hof dat personen die op grond van artikel 10 van verordening 492/2011 een verblijfsrecht hebben gelijk moeten worden behandeld met eigen onderdanen bij de toekenning van sociale voordelen als bedoeld in artikel 7, lid 2 van verordening 492/2011. De uitkeringen in deze zaak kwalificeren volgens het EU-Hof als ‘sociale voordelen’ in de zin van de verordening. Daarnaast oordeelt het EU-Hof dat deze gelijke behandeling ook blijft gelden wanneer migrerende werknemers met schoolgaande kinderen werkloos zijn geworden in de gastlidstaat. 

Het EU-Hof brengt eveneens in herinnering dat uitkeringen zoals in deze zaak kwalificeren als “socialebijstandsuitkeringen” in de zin van artikel 24, lid 2 van richtlijn 2004/38. Het gastland kan deze bepaling echter alleen inroepen om de toekenning van socialebijstandsuitkeringen te weigeren indien de EU-burgers een verblijfsrecht genieten op grond van richtlijn 2004/38. De toekenning van een socialebijstandsuitkering kan niet worden geweigerd wanneer EU-burgers een autonoom verblijfsrecht hebben op grond van andere EU-wetgeving, zoals verordening 492/2011 in deze zaak. De gastlidstaat kan de toekenning van een uitkering in dit geval niet weigeren op grond van artikel 24, lid 2, richtlijn 2004/38.

Het EU-Hof oordeelt ten aanzien van de eerste vraag dat een gastlidstaat EU-burgers, die op grond van artikel 10 van verordening 492/2011 een verblijfsrecht genieten, niet automatisch mag uitsluiten van de toekenning van uitkeringen.

Met betrekking tot de tweede vraag oordeelt het EU-Hof dat een gastlidstaat in strijd handelt met het recht op gelijke behandeling van artikel 4 van verordening 883/2004 indien personen met een autonoom verblijfsrecht automatisch elk recht op uitkeringen wordt ontzegd.

Meer informatie: