EU-Hof: werknemer die zonder geldige reden ontslag neemt heeft recht op een financiële vergoeding voor niet-opgenomen vakantiedagen

Contentverzamelaar

EU-Hof: werknemer die zonder geldige reden ontslag neemt heeft recht op een financiële vergoeding voor niet-opgenomen vakantiedagen
Een werkgever moet bij de beëindiging van de arbeidsverhouding een financiële vergoeding betalen voor niet-opgenomen vakantiedagen. Die verplichting geldt ook wanneer de werknemer de arbeidsverhouding vroegtijdig en zonder geldige reden heeft beëindigd. De oorzaak van de beëindiging van de arbeidsverhouding speelt namelijk geen rol bij de toekenning van een financiële vergoeding. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Oostenrijkse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 25 november 2021 in de zaak C-233/20, WD.

Achtergrond

WD was in dienst bij job-medium van 15 juni 2018 tot 9 oktober 2018, toen hij de arbeidsrelatie heeft beëindigd door middel van een voortijdig en ongerechtvaardigd ontslag. Tijdens de periode van tewerkstelling verwierf WD een recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon gelijk aan 7,33 dagen. Op de datum van beëindiging van het dienstverband had WD nog recht op een verlof van 3,33 dagen.  

Job-medium heeft op grond van artikel 10, lid 2 van de Oostenrijkse wet inzake vakantieverlof geweigerd om WD een financiële vergoeding te betalen voor de niet-opgenomen vakantiedagen. Dat artikel bepaalt dat er geen financiële vergoeding hoeft te worden betaald wanneer de werknemer zonder geldige reden vervroegd ontslag neemt. Het doel van die bepaling is onder meer om de werkgever financieel te ontlasten in geval van een onvoorzienbaar verlies van één van zijn werknemers.

WD heeft bij de Oostenrijkse rechter een vordering tot betaling van een financiële vergoeding ingesteld. Volgens WD is artikel 10, lid 2 van de Oostenrijkse wet inzake vakantieverlof in strijd met artikel 31, lid 2 van het EU-Handvest van de grondrechten (hierna: EU-Handvest) en artikel 7 van richtlijn 2003/88 (hierna: EU-Arbeidstijdenrichtlijn). De zaak is uiteindelijk terechtgekomen bij de hoogste Oostenrijkse rechter in burgerlijke en strafzaken. Die rechter vraagt aan het EU-Hof of artikel 10, lid 2 van de Oostenrijkse wet inzake vakantieverlof inderdaad in strijd is met de voornoemde bepalingen uit het EU-Handvest en de EU-Arbeidstijdenrichtlijn.

EU-Hof

Het EU-Hof brengt in herinnering dat het niet meer mogelijk is om daadwerkelijk vakantiedagen met behoud van loon op te nemen zodra de arbeidsverhouding is beëindigd. Artikel 7, lid 2 van de EU-Arbeidstijdenrichtlijn bepaalt dat de werknemer in zulke gevallen recht heeft op een financiële vergoeding voor de niet-opgenomen vakantiedagen.  

Volgens het EU-Hof is het recht op een financiële vergoeding slechts afhankelijk van twee voorwaarden. Ten eerste de voorwaarde dat de arbeidsverhouding is beëindigd en in de tweede plaats de voorwaarde dat de werknemer niet alle jaarlijkse vakantiedagen heeft opgenomen waarop hij recht had op de datum waarop de arbeidsverhouding is beëindigd. Het EU-Hof oordeelt in die context dat de oorzaak van de beëindiging van de arbeidsverhouding irrelevant is. Het feit dat een werknemer zijn arbeidsverhouding op eigen initiatief vroegtijdig en zonder geldige reden beëindigt is daarom niet invloed op zijn recht om een financiële vergoeding te ontvangen.

Meer informatie: