Contentverzamelaar

Gelijke behandeling vaste en tijdelijke overheidswerknemers
Een verschil in arbeidsvoorwaarden tussen tijdelijke en vaste overheidswerknemers waarvoor geen objectieve rechtvaardiging bestaat, is in strijd met het gemeenschapsrecht. Bovendien heeft het principe van gelijke behandeling in de richtlijn betreffende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd rechtstreekse werking en kunnen werknemers hier dus direct rechten aan ontlenen. Dat blijkt uit een arrest van het EG-Hof in de Ierse zaak Impact, waarin het Hof en passant ingrijpt in de nationale verdeling van rechterlijke bevoegdheden.

Het gaat om het arrest van het EG-Hof van 15 april 2008, in de zaak C‑268/06, Impact.

Het Hof behandelt in het arrest allereerst de bevoegdheid van de verwijzende Ierse rechter. Deze gespecialiseerde arbeidsrechtbank is volgens het Ierse recht alleen bevoegd voor de uitlegging van de Ierse wet. Hij is niet uitdrukkelijk bevoegd om kennis te nemen van vorderingen die direct op het gemeenschapsrecht gebaseerd zijn. Daarvoor moet een klager naar de gewone rechter. De rechter vraagt zich af of hij de richtlijn wel op Impact kan toepassen. Volgens het Hof is dit wel degelijk het geval. De lidstaten zijn verplicht om, gelet op de beginselen van doeltreffendheid en gemeenschapstrouw, een effectieve rechterlijke bescherming te bieden aan hun burgers. Indien een direct beroep op het gemeenschapsrecht niet mogelijk is voor de nationale rechter die daarvoor is aangewezen, zou dat de burger de uitoefening van de hem door het gemeenschapsrecht verleende rechten uiterst moeilijk zouden maken.

Het algemene verbod op discriminatie tussen werknemers voor onbepaalde tijd en bepaalde tijd zoals dat is neergelegd in richtlijn 1999/70 betreffende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (clausule 4, punt 1 van de raamovereenkomst) heeft directe werking en kan rechtstreeks voor de nationale rechter ingeroepen worden. Ondanks het feit dat een richtlijn zich tot de lidstaten richt, en het begrip ‘arbeidsomstandigheden’ niet wordt gedefinieerd, is de draagwijdte van dit voorschift onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig omschreven. Hiermee heeft het Hof vastgesteld dat werknemers met een tijdelijk contract rechten kunnen ontlenen aan het discriminatieverbod uit de richtlijn.

De richtlijn (clausule 5, punt 1) verplicht de lidstaten een regeling in te voeren, die misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van bepaalde tijd verbiedt. Het Hof overweegt dat het aan de lidstaten staat de middelen te kiezen die dit doel moeten dienen. Bij de vraag of ook deze clausule directe werking toekomt bepaald het Hof dat dit voorschrift geen onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurig omschreven verplichtingen kent. Belangrijkste reden hiervoor is het feit dat clausule 5, lid 1 een aantal gelijkwaardige maatregelen noemt waarvan de lidstaat er 'een of meer' kan invoeren. Het Hof wil geen hiërarchie doen ontstaan door directe werking aan één van deze maatregelen toe te kennen.

Ondanks het gebrek aan rechtstreekse werking van deze clausule zijn de lidstaten verplicht het in de richtlijn omschreven doel te verwezenlijken. Dit doel is het vermijden dat misbruik wordt gemaakt van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Een lidstaat mag geen maatregelen treffen die indruisen tegen dit doel ook al was er nog tijd voor implementatie van de richtlijn.
De nationale rechter dient een richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht toe te passen. Door de contracten voor bepaalde tijd met een ongebruikelijk lange tijd te verlengen (in casu 8 jaar), druist het handelen van de Ierse overheid in tegen het doel van de richtlijn,
Het non-discriminatiebeginsel strekt zich, gezien de doelen van de richtlijn, ook uit over de beloning van werknemers. De uitzondering die wordt gegeven in artikel 137, lid 5 EG is hier niet aan de orde. Die uitzondering betreft de CAO- autonomie van de sociale partners. Het gaat er hier om of tijdelijke werknemers wat de beloning betreft niet zonder objectieve rechtvaardiging ongunstiger worden behandeld dan vergelijkbare werknemers in vaste dienst. Dit geldt ook voor contractueel vastgestelde (CAO-)pensioenrechten. Pensioenen uit hoofde van een wettelijke socialezekerheidsregeling vallen hier echter niet onder.