Reden van weigering toegang tot grondgebied mag geheim blijven bij gevaar voor staatsveiligheid

Contentverzamelaar

Reden van weigering toegang tot grondgebied mag geheim blijven bij gevaar voor staatsveiligheid
De essentie van de gronden van een besluit waarbij de toegang tot het grondgebied van een lidstaat wordt geweigerd, moet aan de betrokkene worden meegedeeld. Voor zover strikt noodzakelijk, kan een lidstaat evenwel weigeren aan de betrokkene de redenen mee te delen waarvan bekendmaking de staatsveiligheid zou schaden. Dat heeft het EU-Hof bepaald op vragen van een Britse rechter. Het EU-Hof stelt wel gedetailleerde voorwaarden aan de te volgen procedure.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 4 juni 2013 in zaak C-300/11, ZZ / Secretary of State for the Home Department.

Onderdanen van een lidstaat mogen het grondgebied van een andere lidstaat binnenkomen en daar, onder bepaalde voorwaarden, verblijven. Niettemin kan een lidstaat hun dit recht weigeren om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid.

In zijn arrest brengt het Hof om te beginnen in herinnering dat een besluit tot weigering van toegang volgens richtlijn 2004/381 aan de betrokkene schriftelijk ter kennis moet worden gebracht en op zodanige wijze dat deze in staat is de inhoud en de gevolgen ervan te begrijpen. Voorts moeten de redenen van openbare orde of openbare veiligheid die ten grondslag liggen aan een dergelijk besluit, de betrokkene nauwkeurig en volledig ter kennis worden gebracht, tenzij redenen van staatsveiligheid zich daartegen verzetten.

In deze context preciseert het Hof dat de lidstaten moeten voorzien in een doeltreffende rechterlijke toetsing zowel van de gegrondheid van het besluit tot weigering van toegang als van redenen betreffende de staatsveiligheid die zijn aangevoerd voor de weigering om de aan dat besluit ten grondslag liggende redenen aan de betrokkene mee te delen. Enerzijds moet dus de rechter die belast is met de wettigheidstoetsing van het besluit tot weigering van toegang, kennis kunnen nemen van alle redenen en al het bewijsmateriaal waarop dat besluit is gebaseerd. Anderzijds moet een rechter worden belast met de toetsing of de redenen die verband houden met de staatsveiligheid, zich tegen bekendmaking van deze redenen en dit bewijsmateriaal verzetten.

In dit verband beklemtoont het Hof dat de bevoegde nationale autoriteit dient te bewijzen dat de staatsveiligheid daadwerkelijk zou worden geschaad indien de redenen nauwkeurig en volledig aan de betrokkene zouden worden meegedeeld. Bijgevolg geldt er geen vermoeden ten gunste van het bestaan en de gegrondheid van de door een nationale autoriteit aangevoerde gronden om bekendmaking van deze redenen te weigeren.

Komt de rechter in die omstandigheden tot de slotsom dat de staatsveiligheid zich er niet tegen verzet dat de redenen die aan een besluit tot weigering van toegang ten grondslag liggen, nauwkeurig en volledig aan de betrokkene worden meegedeeld, dan geeft hij de bevoegde nationale autoriteit de mogelijkheid de ontbrekende redenen en het ontbrekende bewijsmateriaal aan de betrokkene mee te delen. Indien deze autoriteit evenwel geen toestemming voor mededeling daarvan geeft, onderzoekt de rechter de wettigheid van een dergelijk besluit uitsluitend op basis van de redenen en bewijzen die wel zijn meegedeeld.

 

 

Blijkt daarentegen dat de staatsveiligheid zich er inderdaad tegen verzet dat die redenen aan de betrokkene worden meegedeeld, dan moet de rechterlijke toetsing van de wettigheid van het besluit tot weigering van toegang worden verricht in het kader van een procedure waarin de uit de staatsveiligheid voortvloeiende vereisten op passende wijze worden afgewogen tegen de vereisten van het recht op doeltreffende rechterlijke bescherming, waarbij de eventuele inmenging in de uitoefening van dat recht tot het strikte minimum moet worden beperkt.

Die procedure moet zoveel mogelijk het beginsel van hoor en wederhoor waarborgen, zodat de belanghebbende de redenen die ten grondslag liggen aan het betrokken besluit, kan betwisten en opmerkingen kan maken over daarop betrekking hebbend bewijsmateriaal en bijgevolg zinvol zijn verweermiddelen kan aanvoeren. In het bijzonder dient de essentie van de redenen die ten grondslag liggen aan een besluit tot weigering van toegang, aan de betrokkene worden meegedeeld, omdat de noodzakelijke bescherming van de staatsveiligheid niet tot gevolg mag hebben dat hem zijn recht om te worden gehoord wordt ontnomen en dat, bijgevolg, zijn recht op een voorziening in rechte ondoeltreffend wordt.

Het Hof stelt tevens vast dat de afweging van het recht op doeltreffende rechterlijke bescherming tegen de noodzaak om de bescherming van de veiligheid van de betrokken lidstaat te verzekeren, niet op dezelfde wijze geldt voor het bewijsmateriaal dat de basis vormt voor de aan de bevoegde nationale rechter voorgelegde redenen. In bepaalde gevallen kan de bekendmaking van dat bewijsmateriaal immers op rechtstreekse en bijzondere wijze de staatsveiligheid schaden, doordat die bekendmaking het leven, de gezondheid of de vrijheid van personen in gevaar kan brengen of specifieke door de nationale veiligheidsautoriteiten gehanteerde onderzoeksmethoden kan onthullen en er aldus ernstig afbreuk aan kan doen, of zelfs kan beletten, dat die autoriteiten ook in de toekomst hun taken vervullen.

Ten slotte preciseert het Hof dat het aan de rechter van het Verenigd Koninkrijk staat om, enerzijds, erop toe te zien dat de essentie van de redenen die ten grondslag liggen aan het betrokken besluit, aan de belanghebbende op zodanige wijze wordt meegedeeld dat naar behoren rekening wordt gehouden met de noodzakelijke vertrouwelijkheid van het bewijsmateriaal, en om, anderzijds, krachtens het nationale recht de consequenties te trekken uit een eventuele schending van die mededelingsplicht.