Signaleringsfiche C-582/23 Wiszkier
Prejudiciële verwijzing – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1 Richtlijn 93/13/EEG – Bevoegdheden en verplichtingen van de nationale rechter – Faillissementsprocedure van een natuurlijke persoon – Wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Wsnp) - Insolventierechter moet ambtshalve het oneerlijke karakter kunnen onderzoeken van bedingen in een consumentenovereenkomst
JenV
De twee vragen van de Poolse rechter die voor lagen bij het Hof luiden: i) moet een faillissementsrechter vorderingen die voortkomen uit consumentenovereenkomsten en zijn geverifieerd door de rechter-commissaris nog ambtshalve kunnen toetsen op oneerlijke bedingen, en ii) moet tijdens het onderzoek naar de oneerlijkheid een voorlopige voorziening in het voordeel van de failliet kunnen worden getroffen? De Poolse faillissementsrechter is in het kader van de faillissementsprocedure van natuurlijke personen gebonden aan de lijst van schuldvorderingen zodra die is goedgekeurd bij beslissing van de rechter-commissaris. Doorgaans onderzoekt een Poolse rechter-commissaris de ingediende schuldvorderingen alleen formeel. Op basis van een lijst van goedgekeurde schuldvorderingen kan de Poolse rechter een afbetalingsplan voor voldoening van de schuldeisers opstellen. Het Hof heeft geoordeeld dat de faillissementsrechter die zich buigt over een dergelijke regeling ook de consumentenovereenkomsten ambtshalve moet kunnen toetsen op oneerlijke bedingen en dat er tijdens het onderzoek een voorlopige voorziening in het voordeel van de consument moet kunnen worden getroffen. De Poolse situatie kent gelijkenissen met de Nederlandse situatie. Het gaat dan met name om de positie van de Nederlandse natuurlijke persoon in faillissement of in de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Wsnp).
De zaak C-582/23 gaat over meneer R.S. en zijn echtgenote. Zij hebben in 2007 een woning gekocht en daarvoor een hypothecaire kredietovereenkomst gesloten. Deze kredietovereenkomst is bijzonder omdat de hoofdsom in Zwitserse franken is afgesloten, maar het maandbedrag in Poolse zloty moest worden betaald. Dit was voor de kredietcrisis heel gebruikelijk onder Poolse banken. Toen in 2008 de wisselkoers van Zwitserse franken als gevolg van de crisis hard steeg, betekende dit dat de totale schuldenlast van de schuldenaar ook veel groter werd. De meeste schulden die R.S. had, kwamen voort uit deze hypothecaire kredietovereenkomst. Pools nationaal recht merkt zulke bedingen inmiddels aan als oneerlijk. In 2019 is R.S. vervolgens persoonlijk failliet verklaard.
De meeste schulden van R.S. kwamen voort uit voornoemde hypothecaire kredietovereenkomst. De faillissementsrechter constateert dat de overeenkomst oneerlijke bedingen bevat, maar mag dit niet toetsen omdat de rechter-commissaris ze al heeft geverifieerd.
In het Poolse faillissementsrecht stelt de curator een lijst van schuldvorderingen op, met daarop erkende en betwiste vorderingen. In eerste instantie heeft R.S. alle vorderingen erkend. De rechter-commissaris heeft vervolgens de schuldenlijst, met daarop voornamelijk schulden die voortkwamen uit de hypothecaire kredietovereenkomst, goedgekeurd. Het is vervolgens aan de faillissementsrechter om op basis van de goedgekeurde schuldenlijst een terugbetalingsplan op te stellen. In casu heeft R.S. nadat de schuldenlijst is goedgekeurd, maar voordat de faillissementsrechter een terugbetalingsplan heeft opgesteld, de vorderingen toch betwist, nadat de advocaat die inmiddels bij de zaak betrokken was hem erop wees dat er oneerlijke bedingen in de kredietovereenkomst zouden staan. De faillissementsrechter constateert dat de overeenkomst oneerlijke bedingen bevat, maar mag deze niet toetsen omdat ze al zijn goedgekeurd door de rechter-commissaris. Als hij toch wil dat er wordt getoetst, moet hij dit uitbesteden aan de rechter-commissaris. Dit leidt volgens de faillissementsrechter tot veel vertraging. De schuldenaar zou daardoor ook langer in zijn schuldentoestand blijven.
Het Hof oordeelt dat die vertraging een prikkel kan vormen voor de failliet om geen beroep te doen op het oneerlijke karakter van een beding. Dat zou volgens het Hof een ontoelaatbare drempel opwerpen voor de doeltreffendheid van de richtlijn oneerlijke bedingen. Het Hof beantwoordt daarom de eerste vraag zo dat een faillissementsrechter ook ambtshalve moet kunnen toetsen op oneerlijke bedingen. Een nationale regeling die dat onmogelijk maakt is niet in lijn met het unierecht.
De tweede vraag gaat over of de faillissementsrechter een voorlopige voorziening mag treffen in het voordeel van de failliet tijdens het onderzoek naar de oneerlijkheid van het beding. Met een vergelijkbaar argument beantwoordt het Hof die vraag bevestigend. In casu ging het om een verlaging van het loonbeslag dat namens de bank was gelegd.
In Nederland is het de curator in faillissement van een natuurlijk persoon en de bewindvoerder bij de Wsnp die de vorderingen onderzoekt en zo nodig betwist. (1) Betwiste vorderingen zullen in de regel door de rechter-commissaris worden verwezen naar een renvooiprocedure en een andere rechter kan daar de vorderingen (ambtshalve) toetsen op het voldoen aan consumentenbeschermingsregels, waaronder of sprake is van oneerlijke bedingen. De rechter-commissaris zelf toetst deze vorderingen echter niet. Als de curator of bewindvoerder een vordering niet betwist, heeft de rechter-commissaris de informatie noch de mogelijkheid om ambtshalve de vordering te toetsen. Daarbij komt dat in de meeste faillissementen van natuurlijke personen en Wsnp-procedures geen inhoudelijke verificatievergadering plaatsvindt vanwege gebrek aan baten. Dan heeft de rechter-commissaris ook geen gelegenheid om te toetsen.
Het Hof schrijft in dit arrest voor dat ambtshalve getoetst moet kunnen worden (r.o. 56). In eerdere jurisprudentie van het Hof is ook zo’n verplichting in insolventieprocedures neergelegd (zaak C-377/14, Radlinger, r.o. 58-59).
Vastgestelde schulden tijdens de verificatievergadering leveren na afloop van het faillissement (thans niet na Wsnp) een executoriale titel op. Dit betekent dat na faillissement de vordering zonder extra procedure geïnd kan worden. Het kan voor de hoogte van een consumentenvordering gevolgen hebben als deze niet ambtshalve is getoetst. Datzelfde geldt voor als een faillissement of Wsnp eindigt in een akkoord tussen schuldenaar en schuldeisers. Dan kan ook de hoogte van een vordering relevant zijn voor de bereidheid van andere schuldeisers om akkoord te gaan. (2) In veel situaties in de Wsnp zal ambtshalve toetsing de vermogenspositie van de schuldenaar echter niet verbeteren. Dan eindigt de schudsaneringsregeling namelijk in een schone lei. Eindigt de schuldsaneringsregeling niet in een schone lei, bijvoorbeeld omdat de schuldenaar zijn verplichtingen niet is nagekomen, dan blijft de schuldenaar met een restschuld zitten en heeft het mogelijk wel gevolgen. Mogelijk heeft het ook gevolgen voor de andere schuldeisers, maar dat is niet een belang dat de richtlijn oneerlijke bedingen poogt te beschermen.
Op grond van dit arrest zal moeten worden gekeken naar hoe ambtshalve toetsing beter in het proces kan worden ingebed. Daarvoor zal de toetsing in de faillissementspraktijk moeten worden verduidelijkt. De route via artikel 69 Fw in faillissement en artikel 317 Fw in een Wsnp-procedure lijkt op basis van de uitspraak in bepaalde situaties onvoldoende mogelijkheid te bieden om ambtshalve het consumentenrecht te kunnen toetsen. Bij deze verduidelijking dient ook rekening te worden gehouden met extra lasten die dit met zich gaat brengen voor schuldenaren, schuldeisers, curatoren, bewindvoerders en de rechtspraak.
De ICER-H zendt dit fiche met het arrest ter kennisneming aan de leden van het IOWJZ. Indien nodig kan het fiche ter kennisneming aan hun ministers worden doorgeleid.
N.v.t.
+++
(1) Daarnaast kunnen ook schuldeisers een vordering betwisten. (2) Stel een natuurlijk persoon heeft 5 schulden, van elk € 10.000. Er is € 5.000 om uit te delen. Dat is een percentage van 10%. Er valt één schuld weg, dan kan er 12,5% worden aangeboden. Dat zou de doorslag kunnen geven om wel akkoord te gaan en een (langere) Wsnp-procedure te vermijden.