T-178/05, broeikasgasemissie, arrest van 23 november 2005

Contentverzamelaar

T-178/05, broeikasgasemissie, arrest van 23 november 2005

Signaleringsfiche
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 23 november 2005 in zaak T-178/05, het Verenigd Koninkrijk tegen de Commissie

Betrokken departementen
EZ en VROM

Sleutelwoorden
Emissiehandel - Nationaal toewijzingsplan - rol Commissie en lidstaten

Beleidsrelevantie
Dit is het eerste arrest over de richtlijn over de handel in broeikasgasemissiehandel (richtlijn 2003/87). Deze richtlijn geeft nadere invulling aan de rol en de bevoegdheden van de Commissie en de lidstaten op het punt van voorstellen van wijzigingen in nationale toewijzingsplannen vóórdat een handelsperiode van start gaat.

Een lidstaat mag de Europese Commissie wijzigingen voorstellen in haar nationale toewijzingsplan voor broeikasgasemissierechten - ook al wordt hierdoor het nationale emissieplafond verhoogd - ook nadat de Europese Commissie het nationale allocatieplan al gedeeltelijk heeft goedgekeurd (artikel 9, lid 3, van Richtlijn 2003/87).

Samenvatting van feiten, redenering en dictum
Op 30 april 2004 notificeerde het Verenigd Koninkrijk haar nationale toewijzings- of allocatieplan (NAP) bij de Commissie. Het gaf daarbij aan dat het plan voorlopig was. Op 12 april 2005 kwam de Commissie met haar beschikking dat het Verenigd Koninkrijk op grond van artikel 9 van richtlijn 2003/87 niet een voorlopig plan mocht indienen. En dat het Verenigd Koninkrijk haar NAP enkel mocht wijzigen om de in de beschikking van
7 juli 2004 aangeduide onverenigbaarheden ongedaan te maken en voorts dat die beschikking van 7 juli 2004 elke verhoging van het nationale plafond verbood.

Het Gerecht vernietigt de Commissiebeschikking van 12 april 2005 waarin de Commissie het verzoek van het Verenigd Koninkrijk voor verhoging van haar nationale emissieplafond niet inhoudelijk wilde onderzoeken op verenigbaarheid met de richtlijn.

Kern van het arrest is dat lidstaten het recht hebben wijzigingen in hun NAP's voor te stellen tot het moment waarop het definitieve toewijzingsbesluit is vastgesteld. Die wijzigingen kunnen wijzigingen betreffen op eigen initiatief van de lidstaat. Het kunnen ook wijzigingen zijn die noodzakelijk zijn om de door de Commissie vastgestelde onverenigbaarheden op te heffen. Op deze manier kunnen de opmerkingen van het publiek namelijk nog op een zinvolle manier worden meegenomen (r.o. 57) voordat de lidstaat een definitief nationaal toewijzingsbesluit kan nemen.

Eerste inventarisatie van de mogelijke effecten voor het beleid, wetgeving, rechtspraak of rechtspraktijk op nationaal of Europees niveau
Het arrest lijkt de deur te openen voor lidstaten om tot het moment van definitieve vaststelling wijzigingen in nationale toewijzingsplannen voor te stellen, ook nadat de Commissie deze plannen al conform de notificatieprocedure van artikel 9 van de richtlijn heeft beoordeeld.

Nederland heeft er bij de implementatie van de richtlijn in de Wet milieubeheer voor gekozen om deze ruimte niet te gebruiken. Het arrest geeft geen aanleiding voor aanpassing van het systeem van de wet. Wel kan het arrest gevolgen hebben voor de uitvoeringspraktijk.

Voorstel voor behandeling
De ICER zendt het fiche en het arrest aan de ministers van EZ en VROM. In verband met de implementatie van de uitvoeringspraktijk wordt een vervolgfiche opgesteld.