T-689/25
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 23 februari 2026 Schriftelijke opmerkingen: 9 april 2026
Trefwoorden: btw, aftrek voorbelasting, btw-identificatienummer Onderwerp: Richtlijn 2006/112 (BTW): artikel 138, lid 1, onder b, zoals gewijzigd door richtlijn (EU) 2018/1910; Achtste richtlijn 79/1072/EEG.
Verzoeker is een belastingplichtige vennootschap ‘British Company’, gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. De vennootschap heeft goederen gekocht van een Oostenrijkse onderneming, die door een leverancier naar Zweden zijn verzonden. Vanwege het ontbreken van een btw-identificatienummer heeft de leverancier de grensoverschrijdende levering niet als vrijgesteld van btw aangemerkt op grond van artikel 138, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn. De Oostenrijkse rechter heeft twijfels over de uitleg van artikel 138, voornamelijk of de mededeling van het btw-nummer slechts formeel een vereiste is dat geen afbreuk mag doen aan het recht op de btw-vrijstelling, of dat het na wijziging van het artikel een materiële voorwaarde is (geworden).
Prejudiciële vragen: 1. Is de mededeling van een btw-identificatienummer van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de verzending of het vervoer van een goed aanvangt, overeenkomstig artikel 138, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/1910 van de Raad van 4 december 2018 tot wijziging van richtlijn 2006/112/EG wat betreft de harmonisatie en vereenvoudiging van bepaalde regels in het btw-stelsel voor de belastingheffing in het handelsverkeer tussen de lidstaten, een materiële voorwaarde voor de vrijstelling van een intracommunautaire levering, zodat de levering belastbaar is wanneer een dergelijk btw-identificatienummer niet is meegedeeld?
2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord en er dus sprake is van een belastbare intracommunautaire levering: valt deze belasting over de toegevoegde waarde binnen de werkingssfeer van artikel 5 van de Achtste richtlijn 79/1072/EEG van de Raad van 6 december 1979 en bestaat er in dit verband een recht op aftrek of teruggaaf van voorbelasting?
3. Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, is dan correctie van de oorspronkelijke factuur toegestaan in het geval van een mededeling achteraf van een op het tijdstip van levering reeds toegekend en geldig btw-identificatienummer van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de verzending of het vervoer van een goed aanvangt, of staat aftrek of teruggaaf van voorbelasting van de ontvanger in de weg aan een dergelijke correctie?
4. Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord en een correctie is toegestaan: heeft een dergelijke correctie terugwerkende kracht tot het tijdstip van de handeling (correctie ex tunc) of sorteert deze pas effect op het tijdstip van de correctie (ex nunc)?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-587/10 VSTR; C-628/16 Kreuzmayr GmbH; C-38/16Compass Contract Services.
Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal