T-702/25 Metsa Board Sverige    

Contentverzamelaar

T-702/25 Metsa Board Sverige    

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     25 november 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     11 januari 2026

Trefwoorden: ETS, emissievergunning, biomassa, miliebeschermingsautoriteit 
Onderwerp: Richtlijn 2003/87/EG tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap: Artikel 3, onder e) en bijlage I. 

Metsä Board Sverige AB is een Zweeds bedrijf dat op dezelfde locatie in Husum een kartonfabriek exploiteert. Op dezelfde locatie bevindt zich ook een pulpfabriek, geëxploiteerd door Husum Pulp AB, een onderneming binnen dezelfde groep. Tot 2021 beschikten beide fabrieken over één gezamenlijke vergunning voor broeikasgasemissies, maar sindsdien hebben zij afzonderlijke vergunningen. In 2025 heeft de Zweedse milieubeschermingsautoriteit de emissievergunning van de kartonfabriek ingetrokken, omdat zij van oordeel was dat de pulp- en kartonfabriek samen één installatie vormen in de zin van de ETS-richtlijn, en dat meer dan 95% van hun gecombineerde emissies van biomassa afkomstig is. Metsä Board betwist dit besluit bij de verwijzende rechter en stelt dat het om twee afzonderlijke installaties gaat die elk zelfstandig kunnen opereren. De verwijzende rechter vraagt het Hof om uitleg van het begrip “vaste technische eenheid” in artikel 3, onder e), ETS-richtlijn, en of de twee fabrieken samen als één installatie moeten worden beschouwd.

Prejudiciële vragen: 
1. Artikel 3, onder e), van de ETS-richtlijn definieert een installatie als „vaste technische eenheid waarin één of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten plaatsvinden alsmede andere, daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden, die technisch in verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging”. Uit de arresten van het Hof leidt de tingsrätt af dat voor de beantwoording van de vraag of een eenheid (die niet in bijlage I is opgenomen) overeenkomstig het tweede deel van artikel 3, onder e), moet worden geacht tot een installatie te behoren, de volgende criteria bepalend waren: • de eenheid brengt de productie onafhankelijk ten uitvoer in geval van een onderbreking van de activiteiten van de installatie, de eenheid heeft invloed op de totale emissies van de installatie en kan derhalve, onafhankelijk van de installatie, de emissies van de installatie verhogen of verlagen; en • een deel van de productie van de installatie wordt uitgevoerd om aan de behoeften van de eenheid te voldoen. Moeten deze criteria ook geheel of gedeeltelijk worden toegepast wanneer de te verrichten beoordeling betrekking heeft op het eerste deel van artikel 3, onder e), namelijk bij de beantwoording van de vraag of twee activiteiten die allebei in bijlage I worden genoemd een technische eenheid vormen, of moet de beoordeling dan op andere criteria worden gebaseerd? 

2. Wat is, gelet op het antwoord op vraag 1, het belang van de volgende omstandigheden bij de beoordeling van de vraag of de kartonfabriek en pulpfabriek een technische eenheid vormen? • De helft van het in de pulpfabriek geproduceerde pulp wordt rechtstreeks in de kartonfabriek in de vorm van natte pulp gepompt. Dit komt overeen met ongeveer 65-70 % van de behoefte aan pulp van de kartonfabriek. Daarnaast koopt de kartonfabriek gedroogde pulp die in de kartonfabriek wordt geweekt. • Stoom en elektriciteit worden met behulp van de pulpproductie in de pulpfabriek geproduceerd. De kartonfabriek koopt een deel van de in de pulpfabriek geproduceerde stoom en elektriciteit in om voor de kartonproductie te worden gebruikt. De stoombehoefte van de kartonfabriek wordt voornamelijk gedekt door de stoom die in de pulpfabriek wordt geproduceerd. De helft van de elektriciteitsbehoefte van de kartonfabriek wordt gedekt door de bij de pulpfabriek ingekochte elektriciteit, waarbij de resterende elektriciteit op de vrije elektriciteitsmarkt wordt ingekocht. • De kartonfabriek en de pulpfabriek zijn op dezelfde plaats gevestigd en hebben een gemeenschappelijk inname van onbehandeld water en een gemeenschappelijke afvalwaterbehandeling. • In het geval van een onderbreking in de activiteiten van de pulpfabriek kan de productie van karton op 80 % van de huidige capaciteit worden gehandhaafd door meer (gedroogde) pulp van derden in te kopen, mobiele stoomgeneratoren in te huren en elektriciteit via de open elektriciteitsmarkt in te kopen. 

3. In punt 2.1 van de richtsnoeren van de Europese Commissie voor de interpretatie van bijlage I wordt aangegeven dat eenheden van verschillende eigenaren die technisch verbonden zijn maar worden geëxploiteerd door één exploitant die een economische beschikkingsmacht heeft over de technische werking van de eenheden, één installatie vormen. Hoe moet in het licht daarvan het begrip „installatie” worden opgevat wanneer de ene productiefaciliteit wordt geëxploiteerd door een dochteronderneming die voor 70 % in handen is van de moedermaatschappij, en laatstgenoemde de exploitant is van de andere productiefaciliteit?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-158/15 Elektriciteits Produktiemaatschappij Zuid-Nederland; C-617/19 Granarolo; C-938/19 Energieversorgungscenter Dresden-Wilschdorf. 

Specifiek beleidsterrein: EZ; IenW

Gerelateerde documenten