T-773/25 Finanzamt fur Grossbetriebe
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 10 december 2025 Schriftelijke opmerkingen: 26 januari 2026
Trefwoorden: driehoekstransacties, vereenvoudigingsregeling, ex nunc rechtsgevolgen, btw-identificatienummer, vooraftrek omzetbelasting
Onderwerp: Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: ,,btw-richtlijn’’): Artikel 42, onder, a).
F GmbH levert goederen vanuit Zweden en Denemarken aan klanten in andere EU-lidstaten. Daarbij maakte zij onterecht gebruik van haar Oostenrijkse btw-identificatienummer, waardoor zij ten onrechte recht had op vooraftrek. Tijdens controles over 2010–2012 en 2013–2014 stelde het Finanzamt (de Oostenrijkse belastingautoriteit) vast dat de facturen geen vermelding van de driehoekstransacties bevatten, waardoor niet was voldaan aan de voorwaarden voor de vereenvoudigingsregeling. In 2015 corrigeerde F GmbH haar facturen alsnog, en de belastingrechter in eerste aanleg accepteerde deze correctie. Het Finanzamt ging daarop in beroep bij de verwijzende rechter, waar de vraag rijst of deze late eerste uitreiking van correcte facturen ex nunc rechtsgevolgen kan hebben voor de toepassing van de driehoekstransactieregeling.
Prejudiciële vragen: 1. Moet artikel 42, onder a), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13 juli 2010 [(hierna: „btw-richtlijn”)], aldus worden uitgelegd dat de eerste uitreiking van een factuur die vereist is voor de toepassing van de uitzondering voor driehoekstransacties, maar die pas meerdere jaren na de leveringen wordt uitgereikt, de rechtsgevolgen van de regeling ter vereenvoudiging van de administratie ex nunc doet ontstaan?
2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: is voor de werking ex nunc van de eerste uitreiking van een dergelijke factuur vereist dat de opsteller van de factuur over de periode vóór de uitreiking ervan belasting heeft geheven volgens de algemene bepalingen van de lidstaat van bestemming?
3. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: in welke vorm moet de tussenhandelaar het bewijs leveren dat de voor het eerst uitgereikte factuur daadwerkelijk door de eindafnemer is ontvangen?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-247/21 Luxury Trust Automobil GmbH; C-536/08 en C-539/08 X en fiscale eenheid Facet-Facet Trading BV; C-580/16 Hans Bühler KG; C-416/17 Commissie/Franse Republiek.
Specifiek beleidsterrein: FIN-Fiscaal