T-851/25 Roenes  

Contentverzamelaar

T-851/25 Roenes  

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     3 februari 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     20 maart 2026

Trefwoorden: levering onroerend goed, omzetbelasting, economische activiteit

Onderwerp: Richtlijn 2006/112: artikel 19 en artikel 135, lid 1.

Verzoeker is een besloten vennootschap, dat deel uitmaakt van een concern dat zich richt op vastgoedontwikkeling. Het concern heeft tussen 2015 en 2017 een kantoorgebouw omgebouwd tot 77 woonappartementen, en deze verhuurd (met ingangsdatum van 1 augustus 2017). In november van hetzelfde jaar heeft een beleggingsmaatschappij het appartementencomplex gekocht. Centraal staat de vraag of bij de overdracht van de appartementsrechten omzetbelasting is verschuldigd. Daarbij is het de vraag of de levering van het appartementencomplex moet worden beschouwd als deel uitmaken van de overgang van ‘een algemeenheid van goederen’ in welk geval de levering niet is onderworpen aan de omzetbelasting. Onduidelijk is of ook de intentie van de verkoper een rol speelt.

Prejudiciële vragen: 
1. Strekt artikel 19, eerste alinea, van BTW-richtlijn 2006 zich uit tot de levering van een onroerend goed (woonappartementencomplex) dat uitsluitend is gebruikt voor een economische activiteit die krachtens artikel 135 van BTW-richtlijn 2006 is vrijgesteld (in dit geval verhuur als bedoeld in artikel 135, lid 1, letter l, van BTW-richtlijn 2006), wanneer de verkoper ter zake van dit onroerende goed geen recht op aftrek heeft genoten, en die levering dus al op grond van artikel 136, aanhef en letter a, van BTW-richtlijn 2006 is vrijgesteld, en, zo niet, strekt artikel 19, eerste alinea, van BTW-richtlijn 2006 zich uit tot de levering van een onroerend goed (woonappartementencomplex) wanneer die levering op grond van artikel 135, lid 1, aanhef en letter j, van BTW-richtlijn 2006 is vrijgesteld? 

2. Indien artikel 19, eerste alinea, van BTW-richtlijn 2006 zich uitstrekt tot de in vraag 1 bedoelde levering, volstaat dan voor toepassing van die bepaling dat dit onroerende goed door de verkoper wordt verhuurd en wordt geleverd in verhuurde staat, zodat met dit onafscheidelijke geheel een zelfstandige economische activiteit als bedoeld in artikel 9, lid 1, slotzin, van BTW-richtlijn 2006 kan worden uitgeoefend, of moet daarbij ook in aanmerking worden genomen de intentie waarmee de verkoper het onroerende goed heeft ontwikkeld en na oplevering is gaan verhuren en de omstandigheid dat de verkoper de feitelijke exploitatie uitsluitend is begonnen om de verkoop ervan te bevorderen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-497/01 Zita Modes Sàrl; C-29/08 AB SKF.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal