T-903/25 Grotta Nuova

Contentverzamelaar

T-903/25 Grotta Nuova

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     18 februari 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     4 april 2026

Trefwoorden: btw-aftrek, dienst, levering van goederen, btw-richtlijn

Onderwerp: Richtlijn 2006/112 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: Artikel 2, lid, 1, onder a en c, artikel 14, lid 1, artikel 24, lid 1, artikel 103, lid 2, onder a, juncto lid 1, artikel 311, lid 1, punt 2, juncto bijlage IX, deel A, punt 3, artikel 371, bijlage X, deel B, punt 2; Uitvoeringsverordening (EU) 1101/2014. 

Grotta Nuova is een eenmanszaak in beeldende kunst van kunstenaar Thomas Poulsen. In januari 2014 wees de stichting Ny Carlsbergfondet Thomas Poulsen aan als uitvoerend kunstenaar voor een kunstproject bij de Deense middelbare school Efterslægten. In 2016 leverde Grotta Nuova het kunstvoorwerp als onderdeel van één samengestelde prestatie. De Deense belastingdienst (SKAT) kwalificeerde deze prestatie als een btw-vrijgestelde artistieke dienst, waardoor Grotta Nuova geen recht had op aftrek van voorbelasting. Grotta Nuova stelde tegen die beslissing beroep in bij de verwijzende rechter. De verwijzende rechter vraagt het Hof of deze prestatie voor btw-doeleinden moet worden aangemerkt als een levering van goederen of als een dienst, en, indien sprake is van een levering van goederen, of het kunstvoorwerp kan worden aangemerkt als een beeldhouwwerk in de zin van de btw-richtlijn.

Prejudiciële vragen: 
1. Moeten artikel 2, lid 1, onder a) en c), en artikel 371, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006, in samenhang met bijlage X, deel B, punt 2, bij die richtlijn aldus worden uitgelegd dat de levering door een kunstenaar van één samengestelde prestatie als die in het hoofdgeding moet worden aangemerkt als een levering van een goed in de zin van artikel 14, lid 1, van die richtlijn dan wel als een dienst in de zin van artikel 24, lid 1, van die richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 371 en bijlage X, deel B, punt 2? 

2. Indien het antwoord op vraag 1 luidt dat de prestatie moet worden beschouwd als een levering van een goed in de zin van artikel 14, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 2, lid 1, onder a), van die richtlijn, moeten artikel 81, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 103, lid 2, onder a), juncto lid 1, in de versie die van toepassing was ten tijde van de feiten van het hoofdgeding, alsmede artikel 311, lid 1, punt 2, juncto bijlage IX, deel A, punt 3, en GN-code 9703 00 00 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1101/2014 van de Commissie van 16 oktober 2014 tot wijziging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, dan aldus worden uitgelegd dat de levering door een kunstenaar van een goed met de kenmerken en functies waarvan in het hoofdgeding sprake is, zie vraag 1, een levering van een kunstvoorwerp door de kunstenaar vormt, in de vorm van een origineel beeldhouwwerk in de zin van die richtlijn en die uitvoeringsverordening?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-348/87 Stichting Uitvoering Financiële Acties; C-276/09 Everything Everywhere; C-111/05 Aktiebolaget NN; C-491/03 Hermann; C-145/18 Regards Photographiques; C-231/94 Faaborg-Gelting Linien A/S; C-41/04 Levob Verzekeringen BV; C-497/09, C-499/09, C-501/09 en C-502/09  Bog e.a.; C-169/00 Commissie v. Finland; C-155/84 Onnasch; C-228/89 Farfalla; C-231/89 Gmurzynska-Bscher.

Specifiek beleidsterrein: FIN-Fiscaal