Tijdelijke beschermingsrichtlijn

Tijdelijke beschermingsrichtlijn

Op deze pagina:

Inleiding

Artikel 78, lid 2, aanhef en onder c, EU-Werkingsverdrag bepaalt dat de EU maatregelen kan vaststellen inzake een gemeenschappelijk stelsel voor tijdelijke bescherming van ontheemden in geval van een massale toestroom. De EU heeft voorschriften inzake de tijdelijke bescherming van ontheemden neergelegd in Richtlijn 2001/55.Het verlenen van tijdelijke bescherming is een uitzonderlijke procedure en kan alleen worden toegepast wanneer er een risico bestaat dat het asielsysteem de toestroom van ontheemden niet op een goede manier kan verwerken (artikel 2, onder a, richtlijn 2001/55).

Naar boven

Duur en uitvoering

De massale toestroom van ontheemden wordt vastgesteld bij een besluit van de Raad. De Raad neemt het besluit aan met gekwalificeerde meerderheid op een voorstel van de Commissie. Het besluit van de Raad wordt voorafgegaan door een onderzoek naar de situatie en de omvang van de verplaatsingen van ontheemden. Tevens moet er voorafgaand een beoordeling plaatsvinden van de wenselijkheid van tijdelijke bescherming. Daarbij moet aandacht zijn voor de mededeling van de lidstaten, de Commissie, het UNHCR en andere relevante internationale organisaties.

De tijdelijke bescherming duurt in beginsel één jaar. Daarna kan de tijdelijke bescherming nog twee keer met zes maanden worden verlengd. Artikel 4, lid 2, richtlijn 2001/55 geeft de Raad de bevoegdheid om met gekwalificeerde meerderheid de tijdelijke bescherming nogmaals met een jaar te verlengen. De tijdelijke bescherming eindigt dus wanneer de maximale duur is verstreken of eerder, indien de Raad vaststelt dat een veilige en duurzame terugkeer naar het land van herkomst mogelijk is.

Het staat de lidstaten vrij om andere categorieën van ontheemden tijdelijke bescherming te verlenen indien deze ontheemden om dezelfde redenen ontheemd zijn en uit hetzelfde land of dezelfde regio komen als de categorieën van ontheemden die in het Raadsbesluit worden genoemd.

Naar boven

Rechten en verplichtingen

De rechten van personen die tijdelijke bescherming genieten komen overeen met de rechten die aanvragers van internationale bescherming op grond van de Opvangrichtlijn ontvangen. Het gaat onder meer om de volgende rechten:

  • Het recht om een verblijfstitel te ontvangen
  • Het recht om in loondienst of als zelfstandige te werken
  • Het recht op toegang tot volwassenenonderwijs en beroepsopleidingen
  • Het recht op een fatsoenlijk onderkomen
  • Het recht op sociale bijstand, financiële ondersteuning en medische zorg
  • Het recht van kinderen jonger dan 18 jaar om onder dezelfde voorwaarden als onderdanen van een EU-land onderwijs te kunnen ontvangen
  • Het recht op gezinshereniging, indien de gezinsleden verspreidt zijn over verschillende EU-lidstaten of wanneer bepaalde gezinsleden zich nog buiten de EU bevinden.

De richtlijn legt ook een aantal verplichtingen aan de lidstaten op:

  • De verplichting om de persoonsgegevens van tijdelijk ontheemden te registreren en op te slaan
  • De verplichting om tijdelijk ontheemden die naar een andere EU-lidstaat zijn gereisd terug te nemen
  • De verplichting om ervoor te zorgen dat minderjarigen worden voorzien van een wettelijk vertegenwoordiger

Naar boven

Verhouding tot vluchtelingenstatus

Artikel 3, lid 1 van richtlijn 2001/55 benadrukt expliciet dat bij de verlening van tijdelijke bescherming niet vooruit wordt gelopen op de erkenning van de persoon als vluchteling. Personen die tijdelijke bescherming genieten kunnen wel te allen tijde een asielaanvraag indienen (artikel 17, lid 1, richtlijn 2001/55).

Naar boven

Terugkeer

Wanneer de tijdelijke bescherming ten einde komt en de ontheemde geen recht heeft op verblijf in de EU op grond van een andere regeling moet de ontheemde worden teruggestuurd naar zijn land van herkomst. De lidstaten moeten zich zoveel mogelijk inzetten om de vrijwillige terugkeer van de ontheemde mogelijk te maken (artikel 21, lid 1, richtlijn 2001/55). Indien nodig, kunnen de lidstaten besluiten tot een gedwongen terugkeer van de ontheemde. Zowel bij een vrijwillige of een gedwongen terugkeer moet de terugkeer plaatsvinden met inachtneming van de menselijke waardigheid.

In bepaalde gevallen moet de uitzetting achterwege blijven. Dit is onder meer het geval wanneer de gezondheidssituatie van de ontheemde zodanig is dat de terugkeer ernstige negatieve gevolgen voor deze ontheemde zal hebben. Tevens kunnen lidstaten het toestaan dat minderjarige kinderen hun school in een lidstaat kunnen afmaken. De gezinsleden van deze minderjarige kinderen kunnen dan ook in de EU blijven.

Naar boven

Solidariteit

De lidstaten moeten de personen die voor tijdelijke bescherming in aanmerking komen in een geest van solidariteit ontvangen (artikel 25, lid 1, richtlijn 2001/55). In het besluit van de Raad, waarin de tijdelijke bescherming aan bepaalde ontheemden is vastgesteld, geven de lidstaten hun opvangcapaciteit aan. Na vaststelling van het besluit kunnen lidstaten in een later stadium aangeven dat zij bereid zijn om nog meer ontheemden op te nemen. Richtlijn 2001/55 kan de lidstaten dus niet verplichten tot de opname van een bepaald aantal ontheemden. De verplichte opname van vluchtelingen kan alleen op grond van artikel 78, lid 3, EU-Werkingsverdrag worden geregeld.

Naar boven