Fraudebestrijding

Fraudebestrijding

Op deze pagina:

Inleiding

De EU en de lidstaten hebben een verplichting om fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de EU worden geschaad, te bestrijden (artikel 325, lid 1, EU-Werkingsverdrag). In dit kader kunnen de lidstaten en de EU maatregelen vaststellen die afschrikkend moeten werken en in de lidstaten, alsmede in de organen, instellingen en instanties van de EU, een doeltreffende bescherming moeten bieden. 

De lidstaten moeten ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de EU worden geschaad, dezelfde maatregelen nemen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad (gelijkschakeling) (artikel 325, lid 2, EU-Werkingsverdrag). Daarnaast dienen de lidstaten hun optreden te coördineren (artikel 325, lid 3, eerste volzin, EU-Werkingsverdrag). Om deze coördinatie goed te laten verlopen is een nauwe en geregelde samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de Commissie ingesteld (artikel 325, lid 3, tweede volzin, EU-Werkingsverdrag). Deze nauwe en geregelde samenwerking wordt vormgegeven door het Europees bureau voor fraudebestrijding (OLAF). 

Naar boven

Europees bureau voor fraudebestrijding (OLAF)

Het Europees bureau voor fraudebestrijding (Frans: Office europeén de la Lutte Antifraude (OLAF)) is opgericht bij Besluit 1999/352. Het OLAF doet onderzoek naar (mogelijke) fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten die de financiële belangen van de EU kunnen schaden. Het begrip 'financiële belangen van de EU' omvat alle inkomsten, uitgaven en activa die onder de begroting van de EU, respectievelijk onder de begrotingen van de instellingen, organen en instanties, vallen. Ook kan het gaan om de begrotingen die deze instellingen, organen en instanties in beheer hebben. 

Naar boven

Interne en externe onderzoeken

Het OLAF verricht administratieve interne onderzoeken binnen de instelllingen, organen en instanties van de EU. In het kader van deze administratieve onderzoeken heeft het OLAF zonder voorafgaande waarschuwing onmiddellijk toegang tot alle documenten. Daarnaast kunnen ambtenaren en andere personeelsleden worden verzocht om mondelinge en schriftelijke informatie te geven. 

Naast de interne onderzoeken kan het OLAF ook externe onderzoeken uitvoeren. In dit kader kan het OLAF controles uitvoeren in de lidstaten. Daarnaast is het mogelijk dat het OLAF conform eventuele overeenkomsten tussen de EU en het derde land controles uitvoert in een derde land. Het OLAF kan de informatie die zij in het kader van de externe onderzoeken heeft verkregen doorgeven aan de nationale autoriteiten. 

Naar boven

Verhouding tot het Europees Openbaar Ministerie (EOM)

Een aantal lidstaten van de EU heeft in het kader van de nauwere samenwerking het Europees Openbaar Ministerie opgericht (verordening 2017/1939). Op grond van richtlijn 2017/1371 is het EOM bevoegd om in de deelnemende lidstaten strafrechtelijke onderzoeken uit te voeren en tenlasteleggingen in te dienen met betrekking tot strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de EU worden geschaad (zie ook het ECER-dossier over het EOM).

Het OLAF voert administratieve onderzoeken uit naar administratieve onregelmatigheden en strafbare gedragingen. Aan het einde van het administratieve onderzoek kan het OLAF aan de nationale strafvervolgingsautoriteiten aanbevelingen betreffende gerechtelijke acties doen. Op grond van verordening 2020/2223 zal het OLAF in de lidstaten die aan het EOM deelnemen, vermoedens van strafbare feiten aan het EOM melden en met het EOM samenwerken in het kader van de door het EOM uitgevoerde strafrechtelijke onderzoeken. 

Naar boven

Het fraudebestrijdingsprogramma van de EU

De EU heeft in verordening 2021/785 het zogenoemde fraudebestrijdingsprogramma van de EU vastgesteld. Dit programma wordt ook wel het Hercules IV-programma genoemd en bouwt voort op drie eerdere fraudebestrijdingsprogramma's van de EU. Het Hercules IV-programma heeft tot doel om de financiële belangen van de EU te beschermen en de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de Commissie te ondersteunen. Die wederzijdse bijstand heeft met name betrekking op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften van de EU.