Aan het burgerschap gerelateerde rechten

Naast de rechten die expliciet in artikel 20 lid 2 EU-Werkingsverdrag worden genoemd, zijn er ook nog een aantal andere rechten waarop een burger van de Unie zich kan beroepen.

Op deze pagina:

Toegang tot documenten

Op grond van artikel 15 lid 3 EU-Werkingsverdrag hebben EU-burgers het recht op toegang tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, binnen bepaalde voorwaarden.

Sinds 3 december 2001 is er een Verordening inzake openbaarheid voor documenten van de Europese Commissie, de Raad, het Europees Parlement en de met deze instellingen gelieerde agentschappen ( Verordening 1049/2001, de zogenoemde 'Eurowob'). Daarnaast gelden nog andere Europese regels over openbaarheid van informatie, vastgelegd in richtlijnen, verordeningen en besluiten.

Zie voor meer informatie over de openbaarheid van EU-documenten de ECER-pagina over openbaarheid en de door de ICER vastgestelde handleiding Eurowob.

Burgerinitiatief

Het Verdrag van Lissabon heeft een nieuwe vorm van inspraak voor Europese burgers geïntroduceerd, namelijk het Europees burgerinitiatief (zie artikel 24 lid 1 EU-Werkingsverdrag en artikel 11 lid 4 EU-Werkingsverdrag). Met het Europees Burgerinitiatief kunnen (ten minste 1 miljoen) burgers rechtstreeks invloed uitoefenen op het EU-beleid door de Commissie op te roepen een wetgevingsvoorstel te doen. Het eerste Europese burgerinitiatief is Right2Water. Dit burgerinitiatief, ondertekend door meer dan 1,8 miljoen EU-burgers, pleit er voor watervoorzieningen in Europa niet te privatiseren en dat toegang tot schoon water deel moet uitmaken van de universele mensenrechten.

Een burgerinitiatief moet wel een onderwerp betreffen waarvoor de Commissie bevoegd is een voorstel in te dienen.  In de zaak T-450/12 oordeelde het Gerechtdat dat de Europese Commissie terecht heeft geconcludeerd dat het Griekse burgerinitiatief betreffende de erkenning in de wetgeving van de Europese Unie van het „beginsel van de noodsituatie, dat inhoudt dat wanneer het economische en politieke voortbestaan van een staat op het spel staat ten gevolge van het aflossen van een onhoudbare schuld, de weigering om deze schuld te betalen noodzakelijk en gerechtvaardigd is”, buiten de bevoegdheden van de Europese Commissie lag en er geen rechtsgrondslag voor de voorgestelde maatregel was. In de zaak T-44/14 ging het om een burgerinitiatief met als titel „Het recht op levenslange zorgverlening. Het leiden van een waardig en zelfstandig leven is een grondrecht!”, om „wettelijke bepalingen voor te stellen die het grondrecht op menselijke waardigheid beschermen door een passende sociale bescherming en toegang tot betaalbare langdurige kwalitatieve zorgverlening te waarborgen bovenop de gezondheidszorg”. Het Gerecht was in deze zaak van oordeel dat de Europese Commissie het verzoek terecht had afgewezen en daarbij had voldaan aan haar motivatieverplichting en de beginselen van behoorlijk bestuur niet had geschonden.

Zie voor meer informatie ook de website van het Europees Burgerinitiatief.

Relevante documenten:

Gerelateerde ECER-berichten:

Verbod van discriminatie op grond van nationaliteit

Naast de uitoefening van bovengenoemde rechten, kunnen EU-burgers ook een beroep doen op het discriminatieverbod op grond van nationaliteit zoals neergelegd in artikel 18 EU-Werkingsverdrag. Dit verbod werkt rechtstreeks door in de lidstaten: er kan voor de rechter een beroep op worden gedaan om te eisen dat nationale regelgeving die daarmee in strijd is buiten toepassing wordt gelaten.

Ongelijke behandeling van EU-burgers en hun familieleden

Artikel 18 EU-Werkingsverdrag is relevant wanneer in nationaal beleid of nationale regelgeving personen met de nationaliteit van een andere lidstaat van de Europese Unie (Unieburgers) binnen de werkingssfeer van het EU-recht ongelijk worden behandeld ten opzichte van personen met de Nederlandse nationaliteit. Ook gezinsleden van Unieburgers kunnen zich, ongeacht hun nationaliteit, op het verbod beroepen. Op artikel 18 EU-Werkingsverdrag kan alleen een beroep worden gedaan door natuurlijke personen.

Geen specifiek discriminatieverbod van toepassing

Artikel 18 EU-Werkingsverdrag is niet de enige bepaling uit het EU-Werkingsverdrag die discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt. Ook de economische vrijheden (het vrije vestigingsverkeer, het vrije dienstenverkeer en het vrij verkeer van werknemers) behelzen een verbod van discriminatie op grond van nationaliteit. Wanneer de regulering van een economische vrijheid in het geding is, vormt dit discriminatieverbod, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, het toetsingskader. Op artikel 18 EU-Werkingsverdrag kan pas een beroep worden gedaan, indien de specifieke discriminatieverboden gekoppeld aan de EU-verdragsvrijheden (vrij verkeer van diensten, vestiging en werknemers) niet van toepassing zijn. In beginsel is artikel 18 EU-Werkingsverdrag dus niet van toepassing op nationaal beleid en regelgeving dat exclusief betrekking heeft op de regulering van economische activiteiten. Op dergelijk beleid en regelgeving blijven de EU-verdragsvrijheden onverkort van toepassing.

Ongelijke behandeling van gelijke situaties of gelijke behandeling van verschillende situaties

Volgens vaste rechtspraak is sprake van discriminatie als verschillende regels worden toegepast op vergelijkbare situaties of dezelfde regel wordt toegepast op verschillende situaties zonder dat daarvoor een rechtvaardiging kan worden gegeven.

Ook indirect onderscheid op grond van nationaliteit verboden

Het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit is niet alleen relevant voor het beleid of de regelgeving waarin uitdrukkelijk onderscheid wordt gemaakt op grond van nationaliteit door bijvoorbeeld het Nederlanderschap te vereisen. Dit duidt men wel aan als directe of rechtstreekse discriminatie. Discriminatie op grond van nationaliteit omvat ook indirecte discriminatie, ook wel aangeduid als verkapte discriminatie. Het gaat voor wat betreft beleid en regelgeving dan om eisen die een vergelijkbaar effect hebben als het stellen van een nationaliteitseis, zoals een woonplaatsvereiste of een taalvereiste.

Er wordt indirect onderscheid gemaakt bij gebruik van o.a. de volgende criteria: woonplaatsvereiste, taalvereisten en diplomavereisten.

Enkele voorbeelden van directe en indirecte discriminatie op grond van nationaliteit uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie:

  • In de zaak C-184/99, Grzelczyk kreeg een in België wonende Franse student geen recht op een bestaansminimumtoelage louter omdat hij niet de Belgische nationaliteit bezat. Het Hof overwoog dat de Belgische regeling direct onderscheid maakte op grond van nationaliteit.
  • In de zaak C-158/07, Förster ging het om een Nederlandse beleidsregel welke bepaalde dat studenten met de nationaliteit van een van de lidstaten van de Europese Unie in aanmerking komen voor studiefinanciering als zij ten minste vijf jaar onafgebroken legaal in Nederland verbleven. Een dergelijke eis bestond niet voor studenten met de Nederlandse nationaliteit. De verblijfsduurvoorwaarde maakte dus direct onderscheid op grond van nationaliteit.
  • De zaak C-103/08, Gottwald betrof bepalingen die toekenning van een wegenvignet beperkten tot gehandicapten die hun woonplaats of hun gewone verblijfplaats in Oostenrijk hadden. Dit woonplaatsvereiste is een voorbeeld van indirect onderscheid (het werkt hoofdzakelijk ten nadele van burgers van andere lidstaten omdat personen die hun woonplaats niet op het nationale grondgebied hebben, meestal niet-burgers van die lidstaat zijn. Voor eigen burgers is het echter gemakkelijker om aan de verblijfsvoorwaarde te voldoen).
  • De zaak C-224/98, D’Hoop ging om een wettelijke voorwaarde voor een uitkering voor jonge werklozen die op zoek zijn naar hun eerste baan. Jonge werklozen kregen alleen een uitkering indien zij middelbaar onderwijs aan een onderwijsinstelling in eigen land hadden genoten.

Rechtvaardigingsgronden

Het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit is geen absoluut verbod. In het EU-Werkingsverdrag, in daaronder vallende regelgeving en in de rechtspraak is bepaald dat onderscheid naar nationaliteit onder bepaalde voorwaarden kan worden gerechtvaardigd. Direct onderscheid wordt zelden in de rechtspraak gerechtvaardigd geacht. Indirect onderscheid op grond van nationaliteit kan slechts gerechtvaardigd zijn als het onderscheid is gebaseerd op objectieve overwegingen die los staan van de nationaliteit van de betrokken personen en evenredig zijn aan het door het nationale recht rechtmatig nagestreefde doel.