Expliciete en impliciete externe bevoegdheden

Expliciete en impliciete externe bevoegdheden

Evenals op het interne vlak is ook op het externe vlak het optreden van de EU gebaseerd op de specifieke bevoegdheden die het EU-Werkingsverdrag daartoe voorziet; de bevoegdheid van de EU om daadwerkelijk naar buiten toe op te treden wordt bepaald door het Unierecht. Ook hier geldt dus het attributiebeginsel: de EG mag slechts naar buiten toe optreden voorzover door de EU-verdragen bevoegdheden zijn toegekend. De externe bevoegdheden kunnen een expliciet of impliciet karakter hebben.

Expliciete externe bevoegdheid

De EU-verdragen verlenen de Unie slechts op enkele terreinen een expliciete bevoegdheid om internationale verbintensissen aan te gaan. De belangrijkste voorbeelden hiervan zijn:

Impliciete externe bevoegdheid

Maar ook op die terreinen waarvoor geen expliciete externe bevoegdheid in de EU-verdragen is verleend kan de EU externe bevoegdheden uitoefenen. Het betreft hier de zogenoemde impliciete externe bevoegdheden. Daarmee wordt in hoofdlijn bedoeld dat op elk terrein waarvoor de EG intern bevoegd is, de EG ook bevoegd is om extern op te treden. Steeds waar de EG intern bevoegd is, is zij ook bevoegd om extern al die maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om de doelstellingen van het betrokken beleidsonderdeel gestalte te geven. Deze doctrine is begin jaren zeventig van de vorige eeuw ontwikkeld door het EU-Hof en vormt nog steeds de basis voor het externe optreden van de EG ( zaak 22/70, AETR, Advies 1/94, WTO).

Betreft het bevoegdheden die de EU door middel van interne wetgeving al heeft uitgeoefend, dan is er altijd sprake van impliciete bevoegdheden van de EU op het externe vlak. Ook als de EU nog geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheden die het verdrag haar toekent, maar het extern optreden noodzakelijk is om de doelstellingen van de toegekende interne bevoegdheden te verwezenlijkingen, is er sprake van een impliciete bevoegdheid ( 3, 4 en 6/76, Kramer en Advies 1/76).

Artikel 216 EU-Werkingsverdrag omschrijft de impliciete externe bevoegdheid thans als volgt: wanneer het sluiten van een overeenkomst ofwel nodig is om, in het kader van het beleid van de Unie, een van de in de Verdragen bepaalde doelstellingen te verwezenlijken, of wanneer daarin bij een juridisch bindende handeling van de Unie is voorzien of wanneer zulks gevolgen kan hebben voor gemeenschappelijke regels of de strekking daarvan kan wijzigen.

Ten slotte kan nog worden gewezen op artikel 352 EU-Werkingsverdrag. Op grond van deze bepaling heeft de Unie een bevoegdheid " indien een optreden van de Unie in het kader van de beleidsgebieden van de Verdragen nodig blijkt om een van de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken zonder dat deze Verdragen in de daartoe vereiste bevoegdheden voorzien". Het betreft hier met andere woorden een bevoegdheid voor 'onvoorziene gevallen'.

Samenvattend:
De EU is in beginsel bevoegd extern op te treden, indien en voorzover:

  • Dit expliciet in het Verdrag is bepaald (expliciete externe bevoegdheid); of
  • Een impliciete externe bevoegdheid kan worden aangenomen wanneer het sluiten van een overeenkomst ofwel nodig is om, in het kader van het beleid van de Unie, een van de in de Verdragen bepaalde doelstellingen te verwezenlijken, of wanneer daarin bij een juridisch bindende handeling van de Unie is voorzien of wanneer zulks gevolgen kan hebben voor gemeenschappelijke regels of de strekking daarvan kan wijzigen.