3. Het LGO-besluit

Het LGO-besluit

Het vierde deel van het VWEU en het LGO-besluit, zoals dit luidt sinds 1 januari 2014, vormen de juridische kern van de associatie van de landen en gebieden overzee en de EU. Het LGO-besluit geeft invulling aan de associatie van de LGO met de Unie. De associatie heeft tot doel de duurzame ontwikkeling van de LGO te ondersteunen en de waarden en normen van de Unie overal ter wereld te bevorderen. Daarnaast berust de associatie op de beginselen van vrijheid, democratie, mensenrechten en fundamentele vrijheden, de rechtsstaat, goed bestuur en duurzame ontwikkeling. Met de associatie worden de algemene doeleinden van artikel 199 Werkingsverdrag nagestreefd door versterking van het concurrentievermogen van de LGO, vergroting van de veerkracht van de LGO, vermindering van de kwetsbaarheid van economie en milieu, en stimulering van de samenwerking tussen LGO onderling en met andere partners (artikel 3 LGO-besluit).

Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie is als volgt opgebouwd:

  • Deel I: Algemene bepalingen betreffende de associatie van de LGO met de Unie
  • Deel II: Samenwerkingsgebieden (o.a. milieu, innovatie, volksgezondheid, welzijn, criminaliteitsbestrijding en cultuur)
  • Deel III: Samenwerking op het gebied van handel
  • Deel IV: (Financiële) instrumenten voor samenwerking
  • Deel V: Slotbepalingen

Trilateraal partnerschap

De associatie is gebaseerd op een trilateraal partnerschap tussen de Unie, de LGO en de lidstaten waarmee de LGO bijzondere betrekkingen hebben. Op grond van artikel 14 LGO-besluit wordt jaarlijks een speciaal LGO-EU-forum georganiseerd, waaraan wordt deelgenomen door de autoriteiten van de LGO, vertegenwoordigers van alle lidstaten en de Commissie. Leden van het Europees Parlement, vertegenwoordigers van de EIB en vertegenwoordigers van de ultraperifere gebieden kunnen ook bij het LGO-EU-forum worden betrokken. Daarnaast vindt minimaal vier keer per jaar een trilateraal overleg plaats tussen de Commissie, de LGO en de lidstaat waarmee de LGO bijzondere betrekkingen heeft.

Gelijkwaardiger en wederkeriger

Vergeleken met voorgaande besluiten is de relatie tussen de EU en de LGO tegenwoordig meer gebaseerd op gelijkwaardigheid en wederkerigheid. In oude LGO-besluiten lag de nadruk meer op ontwikkelingshulp, maar in het huidige LGO-besluit hebben de LGO een steviger positie verworven. Deze gelijkwaardigheid levert echter ook meer verplichtingen op voor de LGO. In artikel 80 van het besluit is daarom een bepaling opgenomen op basis waarvan LGO technische ondersteuning vanuit de Commissie kunnen krijgen. Bovendien hebben de LGO een meer zelfstandige positie gekregen ten opzichte van de lidstaten, al blijven de lidstaten uiteindelijk het aanspreekpunt voor de EU voor veel aangelegenheden. De lidstaten bepalen ook nog steeds wat de status is van een bepaald gebied. Op grond van lid 6 van artikel 355 VWEU besluit de Europese Raad immers (met eenparigheid van stemmen) over statuswijzigingen. Een ander verschil met voorgaande LGO-besluiten is de nadruk die in het huidige besluit wordt gelegd op de duurzame ontwikkeling van de LGO. Dit uit zich zowel in regelgeving als in subsidiemogelijkheden. Ook is er in het huidige besluit meer aandacht voor de rol van de LGO als regionale hubs en zogenaamde “centres of excellence”. Daarnaast is toerisme in artikel 41 van het LGO-besluit toegevoegd als gebied van samenwerking tussen de Commissie en de LGO. De financiële verantwoordelijkheid van de lidstaat voor zijn LGO, is niet gewijzigd, ondanks voorstellen daartoe van de Commissie.

Regionale samenwerking

Een andere belangrijke verandering is de mogelijkheid om samen te werken met andere landen, met name in de regio. In artikel 7 van het huidige LGO-besluit is hiervoor een kader geïntroduceerd. Zo worden relevante regionale organisaties en instellingen waarvan LGO deel uitmaken ondersteund. Ten aanzien van de LGO in het Caribisch gebied valt te denken aan CARICOM. Ook wordt de deelname van LGO aan de ontwikkeling van regionale markten gestimuleerd en worden grensoverschrijdende investeringen van de LGO in hun buurlanden en omgekeerd ondersteund. Deze verandering past in de gedachte de positie van de LGO te versterken en te verzelfstandigen.

Handelsregeling

Om de economie in LGO te versterken en te stimuleren kent het LGO-besluit bovendien een voor de LGO zeer voordelige handelsregeling. Zo mogen op grond van artikel 43 van het LGO-besluit producten van oorsprong uit de LGO vrij van invoerrechten in de Unie worden ingevoerd. Artikel 44 van het LGO-besluit schrijft voor dat de Unie bij de invoer van producten van oorsprong uit de LGO geen kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking toe mag passen. Deze regeling bestaat al vanaf het begin van de EEG en is geen wederkerige regeling: de LGO mogen namelijk op grond van artikel 45 LGO-besluit douanerechten of kwantitatieve beperkingen handhaven of instellen ten opzichte van goederen afkomstig uit de EU indien zij dit in verband met hun huidige ontwikkelingsbehoeften noodzakelijk achten. De regels ten aanzien van producten uit de Unie mogen echter niet minder gunstig zijn dan de regels die worden toegepast op producten afkomstig uit andere belangrijke handelsmachten. Andere LGO en ontwikkelingslanden mogen wel gunstiger behandeld worden. Maatregelen van LGO mogen ook geen aanleiding geven tot discriminatie tussen de lidstaten van de Europese Unie door de LGO. Ook voor de doorvoer van producten uit derde landen vanuit LGO zijn er speciale uitzonderingen.

Financiële samenwerking

In het huidige LGO-besluit is een nieuw subsidiesysteem gecreëerd, waarmee het eenvoudiger moet zijn om gebruik te maken van de subsidiemogelijkheden (artikel 74 e.v.). Net als de ACS-landen kunnen de LGO een beroep doen op het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF). Het EOF is het belangrijkste instrument in de financiële samenwerking ter verwezenlijking van de algemene doelstellingen van de associatie. Na overleg tussen de autoriteiten van de LGO en de Commissie wordt per LGO een programmeringsdocument vastgesteld. Hierin worden de strategie, de doelstellingen en streefcijfers van de LGO voor zijn duurzame ontwikkeling bepaald. Het programmeringsdocument vormt de basis voor de financiële aanspraken van een LGO. De LGO zijn zelf verantwoordelijk voor de uitwerking van het programmeringsdocument. Naast het EOF staan ook de programma’s en instrumenten van de Unie waarin is voorzien in de algemene begroting van de Unie open voor de LGO.

Toegang tot het EU-Hof

Tegen de uitoefening van de bevoegdheden die zijn opgenomen in het LGO-besluit, kan worden opgekomen bij het EU-Hof. Een particulier en de Nederlandse staat deden dit bijvoorbeeld tegen vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer uit landen en gebieden overzee van suikerproducten. De LGO zelf kunnen alleen beroep instellen als ‘gewone particulier’, zoals bedoeld in artikel 263, vierde alinea, VWEU. In een zaak aangespannen door de toenmalige Nederlandse Antillen bleek dat LGO niet kwalificeren als beroepsgerechtigde via alinea 2 van artikel 263, aangezien in die alinea alleen de regeringsautoriteiten van een lidstaat worden bedoeld. Gevolg hiervan is dat indien een LGO beroep in willen stellen, de LGO aan dezelfde voorwaarden moet voldoen als een particulier. Aangezien de aan Nederland gelieerde LGO naar Nederlands recht rechtspersoonlijkheid bezitten, kunnen zij in beginsel beroep tot nietigverklaring instellen tegen tot hen gerichte beschikkingen, maar ook tegen verordeningen en tegen tot anderen gerichte beschikkingen, mits deze hen rechtstreeks en individueel raken. In de aangehaalde zaak bleek deze eis echter een te grote drempel voor de Nederlandse Antillen.

In de Kaefer & Procacci zaak heeft het EU-Hof bepaald dat ook rechtbanken in LGO rechterlijke instanties van een der lidstaten zijn, zoals bedoeld in artikel 267 VWEU. Rechtbanken in LGO kunnen dus prejudiciële vragen stellen aan het Hof over het Europese recht wat daar van toepassing is, zoals het LGO-besluit. Het is echter nog twijfelachtig of rechtbanken in LGO bij geadopteerde Europese regelgeving een verwijzende rechter in de zin van artikel 267 VWEU zijn. In dat geval gaat het om Europese regelgeving die in beginsel niet van toepassing is in LGO, maar vrijwillig van toepassing is verklaard door een LGO. Er heeft tot op heden nog geen rechter uit een LGO een prejudiciële vraag aan het Hof gesteld met betrekking tot de uitleg van geadopteerde Europese regelgeving. Hoewel de literatuur en de rechtspraak ruimte voor discussie laten over dit onderwerp, stelt de Raad van State zich op het standpunt dat ervan uitgegaan moet worden dat het Caribisch Gemeenschappelijk Hof van Justitie geen verwijzende rechter is bij geadopteerde Europese regelgeving.

Naar boven

Lidstaat is aansprakelijk voor schending van douaneregels in het LGO-besluit door zijn LGO

Het Hof heeft in de zaken C-395/17 Commissie tegen Nederland en C-391/17 Commissie tegen Verenigd Koninkrijk bepaald dat deze lidstaten op grond van het beginsel van loyale samenwerking aansprakelijk zijn voor het verlies aan EU-inkomsten als gevolg van het in strijd met de LGO regelgeving handelen door de autoriteiten van hun LGO’s. Lidstaten zijn verplicht tot compensatie van gederfde douane-inkomsten als gevolg van onjuiste afgifte exportcertificaten door de autoriteiten van hun LGO's.  De interne verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen een lidstaat en zijn LGO is vanuit een oogpunt van EU-recht niet relevant.

Naar boven

Lees ook:

Kamerbrief over totstandkoming LGO besluit 2013/755/EU

Kamerbrief over middelen voor Caribische Koninkrijksdelen vanuit EOF

Eur-Lex fiche over LGO-besluit 2013/755/EU