Gewone wetgevingsprocedure

Gewone wetgevingsprocedure

Op deze pagina:

Inleiding

De gewone wetgevingsprocedure is identiek aan de oude medebeslissingsprocedure, ook wel codecisieprocedure genoemd. In deze procedure heeft de Europese Commissie als enige instelling het 'recht van initiatief' (artikel 289, lid 1, EU-Werkingsverdrag). Dat betekent dat alleen de Commissie voorstellen kan doen voor nieuwe regelgeving of voor aanpassing van bestaande wetgeving. Het EU-Werkingsverdrag kent ook uitzonderingen, bijvoorbeeld in artikel 76 EU-Werkingsverdrag. De Raad heeft samen met het Europees Parlement de wetgevende bevoegdheid in de gewone wetgevingsprocedure, zonder dat de ene instelling de andere kan 'overrulen'. De gewone wetgevingsprocedure staat gedetailleerd beschreven in artikel 294 EU-Werkingsverdrag

Verloop van de gewone wetgevingsprocedure

Commissievoorstel

De Commissie bereidt een voorstel voor en overlegt in deze informele voorfase onder meer met experts en belanghebbenden. Dat kunnen bijvoorbeeld de lidstaten zijn, maar ook belangengroepen en vertegenwoordigers van sectoren. Vervolgens dient de Commissie haar voorstel voor regelgeving (formeel) in, zowel bij de Raad als bij het Europees Parlement.
Het proces verloopt in de eerste fase in twee ronden ("eerste lezing", "tweede lezing"). In de praktijk blijft het proces vaak beperkt tot de eerste lezing omdat dan in onderhandelingen al overeenstemming wordt bereikt.

Eerste lezing

Het Europees Parlement stelt een standpunt in eerste lezing vast. Als de Raad dat standpunt goedkeurt, wordt de handeling vastgesteld in de formulering die overeenkomt met het standpunt van het Europees Parlement. Indien de Raad het standpunt van het Europees Parlement niet goedkeurt, stelt de Raad zijn eigen standpunt in eerste lezing vast en deelt hij dit mede aan het Europees Parlement.

Als de Raad al een standpunt weet te bereiken voordat het Europees Parlement de eerste lezing heeft afgerond, heet het standpunt van de Raad "algemene oriëntatie' ('general approach'). Op basis van deze algemene oriëntatie kan het Voorzitterschap informele onderhandelingen met de bevoegde commissies uit het Europees Parlement en de Commissie beginnen om tot overeenstemming te komen (zgn. trilogen). Als dat lukt, wordt het standpunt van het Europees Parlement door de Raad goedgekeurd en wordt de handeling geacht te zijn vastgesteld in de versie die het Europees Parlement heeft vastgesteld.

Tweede lezing

Het Europees Parlement reageert binnen drie maanden op het standpunt van de Raad in eerste lezing. Bij goedkeuring door het Europees Parlement, of wanneer het Europees Parlement zich niet uitspreekt, wordt de regelgeving geacht vastgesteld te zijn overeenkomstig het standpunt van de Raad. Geeft het Europees Parlement aan het standpunt van de Raad te verwerpen, dan wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen. Als het Europees Parlement amendementen voorstelt naar aanleiding van het standpunt van de Raad, dan wordt de geamendeerde tekst toegezonden aan de Raad en aan de Commissie, die advies uitbrengt over deze amendementen. Tijdens deze tweede lezing kan de Raad de amendementen met gekwalificeerde meerderheid goedkeuren en het aldus gewijzigde voorstel voor regelgeving vaststellen. Echter, de Raad moet met eenparigheid van stemmen beslissen indien de Commissie negatief over een EP-amendement adviseert en niet bereid is haar oorspronkelijke voorstel op dat onderdeel aan te passen.

Het voorstel wordt verworpen als de Raad en het Europees Parlement er niet in slagen overeenstemming te bereiken. Het Europees Parlement wordt dus erkend als een volwaardige wetgevende instantie, wat wil zeggen dat de Raad naar een compromis moet streven, als hij wil dat een voorstel wordt aangenomen.

Bemiddelingscomité en derde lezing

Slaagt de Raad er niet in om binnen drie maanden de amendementen van het Europees Parlement in tweede lezing goed te keuren, dan kan een bemiddelingscomité worden ingesteld ("conciliatie"). In dit comité, dat is samengesteld uit leden van de Raad of hun vertegenwoordigers en een gelijk aantal vertegenwoordigers van het Europees Parlement, alsmede van de Commissie, wordt getracht om overeenstemming te bereiken over een ontwerptekst die voor zowel de Raad als het Europees Parlement aanvaardbaar is.

Tijdens de eerste en de tweede lezing en vóór de vergadering van het Bemiddelingscomité worden tussen de Raad, het Europees Parlement en de Commissie technische tripartiete vergaderingen ("triloog") gehouden om de meningsverschillen tussen de instellingen glad te strijken en gemakkelijker tot overeenstemming te kunnen komen, en zodoende de vergadering van het Bemiddelingscomité te voorkomen. Door dit triloogmechanisme, waarin in de Verdragen niet is voorzien, kan het aantal dossiers die een convocatie van het Bemiddelingscomité vereisen, evenals de duur van de wetgevingsprocedure, aanmerkelijk worden beperkt.

Het Europees Parlement beslist met volstrekte meerderheid, de Raad met gekwalificeerde meerderheid. Een eventuele ontwerptekst dient vervolgens binnen zes weken door de Raad en het Europees Parlement te worden goedgekeurd (de "derde lezing"). Wanneer één van deze twee instellingen het voorgestelde ontwerp niet goedkeurt, wordt het geacht niet te zijn aangenomen.

Meer informatie