C-182/21  Nokia Technologies

Contentverzamelaar

C-182/21  Nokia Technologies

Prejudiciële hofzaak  

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik
hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     17 mei 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     3 juli 2021

Trefwoorden : mededinging; octrooi; intellectueel eigendom

Onderwerp : VWEU artikel 102;

Feiten:

Verzoekster (Nokia Technologies) heeft een Europees octrooi (hierna: litigieus octrooi) voor een methode van het verzenden van gegevens in een telecommunicatiesysteem. Op 17-09-2014 heeft Nokia Corporation, de moedervennootschap van verzoekster, ETSI (European Telecommunication Standards Institute) in kennis gesteld van de aanmelding van het litigieuze octrooi en heeft zij verklaard dat zij deze beschouwde als essentieel voor de LTE-standaard. Tegelijkertijd heeft zij jegens ETSI een FRAND-verklaring afgegeven, waarmee zij zich heeft verplicht aan derden licenties te verlenen onder voorwaarden die fair, reasonable and non-discriminatory (hierna: FRAND) zijn. Verweerster vervaardigt personenauto’s en bedrijfswagens. In verweersters voertuigen zijn onder andere TCU’s (Telematics Control Units) ingebouwd waarmee de voertuigen (Connected Cars), met name via het LTE-netwerk, verbinding kunnen maken met het internet. De TCU’s zijn dwingend vereist voor de toelating, het gebruik en de verkoop van de voertuigen, aangezien via deze module de wettelijk voorgeschreven alarmeringsfunctie (eCall) beschikbaar wordt gesteld. De TCU’s worden in een uit verscheidene fasen bestaande productieketen gemaakt door meerdere toeleveranciers. Kort gezegd komt het erop neer dat verzoekster van verweerster staking van de inbreuk vordert wegens inbreuk op het litigieus octrooi. Volgens verweerster volgt uit artikel 102 VWEU, alsmede uit de afgegeven FRANDverklaring, dat een SEO-houder aan elke licentieverzoeker die bereid is een licentie te nemen een eigen onbeperkte licentie moet aanbieden voor alle octrooirechtelijk relevante vormen van gebruik van dit SEO. Aan de toeleveranciers die om een licentie verzoeken moet derhalve prioritair een licentie worden verleend. Volgens verzoekster kan zij als houdster van een SEO vrij beslissen in welke fase van een complexe productie- en toeleveringsketen licenties tegen FRANDvoorwaarden worden verleend. Wat dat betreft bestaat er geen verplichting om prioritair aan toeleveranciers een licentie te verlenen.

Overweging:

Er geldt geen verwijzingsverplichting voor de verwijzende rechter. Bij de uitoefening van zijn beslissingsbevoegdheid heeft de verwijzende rechter echter met name overwogen dat artikel 102 VWEU ruimte laat voor verschillende uitleggingen die voor een ervaren jurist redelijkerwijs in gelijke mate mogelijk zijn, en dat de voor het oordeel relevante vragen nog niet door het Hof zijn uitgelegd, en vooral niet afdoend zijn beantwoord in het arrest Huawei/ZTE. De beantwoording van de voorgelegde vragen is bovendien van verstrekkend belang. In Europa en met name in Duitsland worden thans een groot aantal procedures gevoerd wegens inbreuken op standaard-essentiële octrooien, waarbij zich achter de vermeende inbreukmaker een meer of minder ingewikkelde waardeketen bevindt, die bestaat uit een groot aantal toeleveranciers. Welke mededingingsrechtelijke eisen in dergelijke gevallen moeten worden gesteld aan de SEO-houder, met name in welke omvang respectievelijk aan wie hij FRANDlicenties moet verlenen, is thans omstreden. Ook de Commissie heeft na de bezwaren van verweerster, alsmede van sommige toeleveranciers, de betrokkenen om inlichtingen verzocht en geëist. Alleen een oordeel van het Hof kan definitief duidelijkheid scheppen. Het verzoek om uitlegging van artikel 102 VWEU door een rechter in eerste aanleg, leidt tot een snelle verduidelijking door het Hof, welke in het belang is van alle betrokkenen.

Prejudiciële vragen:

A. Bestaat er een verplichting om prioritair een licentie te verlenen aan de toeleveranciers?

1. Kan een onderneming in een latere productiefase zich ter betwisting van de vordering tot staking van een octrooi-inbreuk, ingesteld door de houder van een octrooi dat essentieel is voor een door een standaardisatieorganisatie opgestelde standaard (SEO), die jegens deze organisatie de onherroepelijke verbintenis is aangegaan om aan derden een licentie tegen FRAND-voorwaarden te verlenen, beroepen op misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU wanneer de standaard waarvoor het litigieuze octrooi essentieel is, respectievelijk delen daarvan, reeds wordt toegepast in een onderdeel dat is betrokken door de verwerende onderneming, en haar leveranciers bereid zijn om een licentie te nemen, maar de octrooihouder weigert voor de producten die de standaard gebruiken tegen FRAND-voorwaarden een eigen onbeperkte licentie te verlenen voor alle octrooirechtelijk relevante vormen van gebruik?

a) Geldt dat met name wanneer het in de betrokken bedrijfstak van de verkopers van de eindproducten de gewoonte is om voor de door het geleverde onderdeel gebruikte octrooien door middel van het nemen van licenties te zorgen voor een vanuit het oogpunt van de intellectuele eigendom duidelijke juridische situatie?

b) Geldt het beginsel dat prioritair een licentie wordt verleend ten aanzien van de toeleveranciers in elke fase van de leveringsketen of alleen ten aanzien van de toeleveranciers die rechtstreeks voorafgaan aan de verkoper van het eindproduct in de waardeketen? Zijn ook hier de gewoonten in het zakelijk verkeer doorslaggevend?

2. Vereist het in het mededingingsrecht neergelegde verbod van misbruik dat de toeleverancier voor alle octrooirechtelijk relevante vormen van gebruik tegen FRAND-voorwaarden een eigen onbeperkte licentie wordt verleend voor producten die de standaard gebruiken, zodat eindverkopers (en in voorkomend geval de afnemers in een eerder stadium) zelf geen eigen, afzonderlijke licentie van de SEO-houder meer nodig hebben om in het geval van een bestemmingsconform gebruik van het betrokken geleverde onderdeel een octrooi-inbreuk te vermijden?

3. Indien de eerste prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord: stelt artikel 102 VWEU bijzondere kwalitatieve, kwantitatieve en/of andere eisen aan de criteria op grond waarvan de houder van een standaardessentieel octrooi beslist tegen welke potentiële inbreukmakers op verschillende niveaus van dezelfde productie- en waardeketen hij een vordering tot staking van een octrooi-inbreuk instelt?

B. Verduidelijking van de vereisten die zijn geformuleerd in het arrest van het Hof in de zaak Huawei/ZTE (arrest van 16 juli 2015, C-170/13):

1. Bestaat de mogelijkheid om, ongeacht het feit dat wederzijdse verplichtingen om te handelen (kennisgeving van de inbreuk, verzoek om een licentie, FRAND-conform licentieaanbod; licentieaanbod aan de prioritair te licentiëren toeleverancier) van de SEO-houder en de SEO-gebruiker precontentieus moeten worden nagekomen, verplichtingen om te handelen die in de precontentieuze fase niet zijn nagekomen, met behoud van rechten alsnog na te komen gedurende een gerechtelijke procedure?

2. Kan alleen worden aangenomen dat er sprake is van een duidelijk licentieverzoek van de octrooigebruiker, wanneer op grond van een uitvoerige beoordeling van alle omstandigheden duidelijk en ondubbelzinnig blijkt dat de SEO-gebruiker voornemens en bereid is om met de SEO-houder een licentieovereenkomst tegen FRANDvoorwaarden te sluiten, hoe deze (bij gebrek aan een op dat tijdstip geformuleerd licentieaanbod hoe dan ook nog niet te overziene) FRAND-voorwaarden er ook uit mogen zien?

a) Geeft een inbreukmaker, die meerdere maanden niet reageert op de kennisgeving van de inbreuk, daarmee volgens de regels te kennen dat hij geen interesse heeft in het nemen van een licentie, zodat het – ondanks een verbaal licentieverzoek – daaraan ontbreekt, met als gevolg dat de stakingsvordering van de SEOhouder moet worden toegewezen?

b) Kan uit licentievoorwaarden die de SEO-gebruiker heeft voorgesteld met een tegenaanbod, worden afgeleid dat er geen sprake is van een licentieverzoek, met als gevolg dat de stakingsvordering van de SEO-houder vervolgens kan worden toegewezen, zonder voorafgaande toetsing of het eigen licentieaanbod van de SEO-houder (dat is voorafgegaan aan het tegenaanbod van de SEO-gebruiker) überhaupt in overeenstemming is met de FRAND-voorwaarden?

c) Is een dergelijke conclusie in ieder geval niet mogelijk indien de licentievoorwaarden van het tegenaanbod, waaruit zou moeten worden afgeleid dat er geen sprake is van een licentieverzoek, voorwaarden zijn waarvan noch kennelijk duidelijk is, noch door de hoogste rechterlijke instantie is geoordeeld dat zij onverenigbaar zijn met FRAND-voorwaarden?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-170/13 Huawei/ZTE

Specifiek beleidsterrein: EZK;