C-205/21 Ministerstvo na vatreshnite raboti, Glavna direktsia za borba s  organiziranata prestapnost

Contentverzamelaar

C-205/21 Ministerstvo na vatreshnite raboti, Glavna direktsia za borba s  organiziranata prestapnost

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     24 mei 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     10 juli 2021

Trefwoorden : gegevensbescherming; privacy; grondrechten; menselijke integriteit;

Onderwerp :

-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

-           Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG;

-           Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad;

Feiten:

Op 01-03-2021 is een akte van formele beschuldiging opgesteld ten aanzien van B.C. Daarin worden haar handelingen gekwalificeerd als deelneming, tezamen met drie andere personen, aan een criminele organisatie met het voornemen om in Bulgarije op gecoördineerde wijze en met het oog op verrijking strafbare feiten in de zin van artikel 255 NK te plegen. B.C. heeft haar eigen verdediging gevoerd. Onmiddellijk na de formele beschuldiging is zij verzocht om medewerking te verlenen aan de uitvoering van een politionele registratie: het nemen van vingerafdrukken en foto’s, en van stalen voor het aanmaken van een DNA-profiel. B.C. wilde dit niet, zij heeft diezelfde dag nog in een formulier verklaard dat zij in kennis was gesteld van het bestaan van een wettelijke grondslag voor de uitvoering van haar politionele registratie overeenkomstig de ZMVR. Ook heeft zij in dat formulier de officiële verklaring afgelegd dat zij niet bereid is om vingerafdrukken te laten afnemen, zich te laten fotograferen en stalen af te staan voor het aanmaken van een DNA-profiel. Een reden voor deze weigering heeft zij niet opgegeven. Zij is vervolgens niet onderworpen aan de genoemde handelingen met het oog op politionele registratie. In plaats daarvan hebben de politiediensten zich gewend tot de verwijzende rechter. De plaatsvervangend directeur van het directoraat-generaal voor bestrijding van georganiseerde misdaad bij het ministerie van Binnenlandse Zaken heeft daarop een verzoek voorgelegd aan de verwijzende rechter. Dit verzoek had betrekking op de verplichte uitvoering van een politionele registratie van beklaagde B.C.

Overweging:

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de bewoordingen van de nationale wettelijke regeling kunnen leiden tot een met de Unierechtelijke criteria verenigbare conclusie dat de verwerking van genetische en biometrische gegevens voor politionele doeleinden in beginsel is toegestaan door de nationale wet. Wanneer de verwijzende rechter aan de hand van het antwoord van het Hof op de eerste vraag oordeelt dat kan worden uitgegaan van een juiste omzetting van artikel 10 van richtlijn 2016/680 en van het bestaan van een geldige nationale rechtsgrondslag voor de verwerking van genetische en biometrische gegevens, dan rijst nog de vraag of hiermee is voldaan aan het in artikel 10, onder a), van richtlijn 2016/680 gestelde vereiste dat deze verwerking bij het lidstatelijke recht is toegestaan. Verder rijst de vraag of de nationale norm inzake „voldoende bewijzen”, zoals vastgesteld in artikel 219, lid 1, NPK, voldoet aan de in artikel 6, onder a), van richtlijn 2016/680 vastgestelde norm. Ten slotte rijst de vraag of de voorwaarde – beschuldigd zijn van een ambtshalve vervolgbaar en opzettelijk gepleegd strafbaar feit – volstaat om aan te nemen dat is voldaan aan de vereisten van artikel 10, artikel 4, lid 1, onder a) en c), en artikel 8, leden 1 en 2, van richtlijn 2016/680.

Prejudiciële vragen:

1. Is artikel 10 van richtlijn 2016/680 rechtsgeldig uitgevoerd in nationaal recht door de verwijzing in de nationale wet – met name artikel 25, lid 3, en artikel 25a van de Zakon za ministerstvo na vatreshnite raboti (wet op het ministerie van Binnenlandse Zaken) – naar de soortgelijke bepaling van artikel 9 van verordening 2016/679?

2. Is voldaan aan het in artikel 10, onder a), van richtlijn 2016/680 – gelezen in samenhang met artikel 52 ervan en met de artikelen 3 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – gestelde vereiste dat een beperking van het recht op menselijke integriteit en van het recht op bescherming van persoonsgegevens bij wet moet zijn voorzien, wanneer er sprake is van tegenstrijdige nationale bepalingen met betrekking tot de vraag of de verwerking van genetische en biometrische gegevens met het oog op registratie door de politie is toegestaan?

3. Verzet artikel 6, onder a), van richtlijn 2016/680 juncto artikel 48 van het Handvest zich tegen nationale wettelijke bepalingen – met name artikel 68, lid 4, van de wet op het ministerie van Binnenlandse Zaken – die aan de rechter de verplichting opleggen om de verplichte verzameling van persoonsgegevens (het nemen van dossierfoto’s en vingerafdrukken, alsook van stalen met het oog op het aanmaken van een DNA-profiel) te bevelen, wanneer een van een ambtshalve vervolgbaar en opzettelijk strafbaar feit beschuldigde persoon weigert vrijwillig mee te werken aan deze verzameling van persoonsgegevens, zonder dat de rechter kan beoordelen of er gegronde vermoedens bestaan dat deze persoon het ten laste gelegde ambtshalve vervolgbaar en opzettelijk strafbaar feit heeft gepleegd?

4. Verzetten artikel 10, artikel 4, lid 1, onder a) en c), en artikel 8, leden 1 en 2, van richtlijn 2016/680 zich tegen nationale wettelijke bepalingen – met name artikel 68, leden 1 tot en met 3, van de wet op het ministerie van Binnenlandse Zaken – volgens welke als algemene regel geldt dat van alle van ambtshalve vervolgbare en opzettelijke strafbare feiten beschuldigde personen dossierfoto’s en vingerafdrukken moeten worden genomen, alsook stalen met het oog op het aanmaken van een DNA-profiel?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV; BZ; BZK;