C-560/23 Tang 

Contentverzamelaar

C-560/23 Tang 

Prejudiciële hofzaak 

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak , en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    12 februari 2024
Schriftelijke opmerkingen:                    29 maart 2024

Trefwoorden: internationale bescherming; termijn

Onderwerp:

-             Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (Dublin verordening): artikelen 18, 27 en 29, leden 1 en 2;

-             Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest): artikel 47.

Feiten:

Verzoekende partij is H en verwerende partij is Udlændingestyrelsen (de Deense immigratiedienst). H is een Afghaanse onderdaan die op 25 april 2021 Denemarken is binnengekomen, en op die dag een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Het blijkt dat H op 5 maart 2021 in Roemenië als asielzoeker is geregistreerd. De migratiedienst besluit om H over te dragen aan Roemenië. Roemenië keurt aanvankelijk dit verzoek goed, maar heeft in maart 2022 alle inkomende overdrachten opgeschort in verband met de oorlog tussen Oekraïne en Rusland. Op 8 april 2022 wordt H opnieuw overgedragen aan Roemenië. H heeft tegen dit verzoek beroep ingesteld, omdat de termijn uit artikel 29, lid 1, eerste situatie, van de Dublinverordening ten tijde van het besluit van de migratiedienst van 8 april 2022 was verstreken.

Overweging:

De zaak gaat over de uitleg van artikel 29 van de Dublinverordening. Dit artikel stelt dat een persoon wordt overgedragen, uiterlijk binnen zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek overgedragen wordt, of vanaf de definitieve beslissing op beroep of bezwaar. Het is de vraag of het besluit tot terugverwijzing van de beroepscommissie aan te merken is als een ‘definitieve beslissing’ in deze zin. De situatie dat een lidstaat een overdracht goedkeurt maar later overdrachten op grond van de Dublinverordening opschort, lijkt niet uitdrukkelijk in de verordening te zijn geregeld en de verwijzende rechter vraagt daarom op opheldering over de termijnen.

Prejudiciële vraag:

Moeten de in artikel 29, leden 1 en 2, van de Dublinverordening neergelegde termijnvoorschriften aldus worden uitgelegd dat de in artikel 29, lid 1, tweede hypothese, van deze verordening vastgestelde termijn van zes maanden ingaat vanaf de definitieve beslissing ten gronde, in gevallen waarin een beroepsinstantie van de verzoekende lidstaat als bedoeld in artikel 27 van genoemde verordening de overdrachtszaak heeft terugverwezen naar de bevoegde instantie in eerste aanleg, die vervolgens meer dan zes maanden na ontvangst van de aanvaarding van het overnameverzoek door de verantwoordelijke lidstaat een nieuw overdrachtsbesluit heeft genomen, ook wanneer de reden voor terugverwijzing is dat de verantwoordelijke lidstaat, die de overdracht aanvankelijk had aanvaard, naderhand heeft besloten om overdrachten op grond van de Dublinverordening in het algemeen op te schorten, en waarin er bovendien opschortende werking is verleend is aan de maatregel tot verwijdering van de betrokken vreemdeling?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-396/14  MT; C-556/21 Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid; C-647/16; C-63/15 Ghezelbash; C-201/16; C-213/17 X; C-19/08; C-490/16 A.S.; C-163/17; C-231/21 Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl e.a.; C-245/21 Bundesrepublik Deutschland;  C-194/19 Belgische Staat

Specifiek beleidsterrein: JenV