C-634/21 SCHUFA Holding

Contentverzamelaar

C-634/21 SCHUFA Holding

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    7 december 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    23 januari 2022

Trefwoorden : kredietscores, profilering, gegevensbescherming

Onderwerp :

-           Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG

-           Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

Feiten:

Het geding gaat over een vordering tegen de kredietscore die de in het geding geroepen partij (SCHUFA Holding AG) heeft berekend voor verzoekster. Bij het vaststellen van kredietscores wordt de waarschijnlijkheid van een toekomstige gedraging van een persoon, zoals de terugbetaling van een lening, op basis van wiskundig-statistische methoden voorspeld aan de hand van bepaalde kenmerken van een persoon, waarbij noch de individuele kenmerken die als basis dienen, noch de wiskundig-statistische methode openbaar wordt gemaakt. Verzoekster werd door een derde partij een lening geweigerd, nadat de in het geding geroepen partij negatieve informatie had verstrekt. Vervolgens eiste verzoekster van de in het geding geroepen partij de verwijdering van volgens haar onjuiste vermeldingen en daarnaast inzage in de opgeslagen gegevens. De in het geding geroepen partij heeft verzoekster in algemene bewoordingen meegedeeld hoe haar scoreberekening werkt, maar niet welke afzonderlijke stukken informatie in de berekening worden opgenomen en hoe deze worden gewogen. Verzoekster heeft hiertegen een klacht ingediend bij verweerder, met het verzoek de in het geding geroepen partij te gelasten te voldoen aan het verzoek van verzoekster om inzage en verwijdering. Bij tot verzoekster gericht besluit van 03-06-2020 weigerde verweerder om verdere stappen tegen de in het geding geroepen partij te ondernemen. Ter motivering stelde hij onder meer dat de berekening van de kredietwaardigheidswaarde door de in het geding geroepen partij weliswaar moet voldoen aan de vereisten die in detail zijn geregeld in de nationale wetgeving en het Unierecht, maar dat aan die vereisten wordt voldaan en in het onderhavige geval niets erop wijst dat dit niet het geval was.

Overweging:

In het onderhavige geval hangt de beslechting van het geding af van het antwoord op de vraag of de activiteit van kredietinformatiebureaus binnen de werkingssfeer van artikel 22, lid 1, AVG valt. Gelet op de bewoordingen van artikel 22, lid 1, AVG is de verwijzende rechter zich ervan bewust dat deze bepaling bij een restrictieve uitlegging aldus kan worden opgevat, en ook over het algemeen zo wordt opgevat, dat zij niet rechtstreeks van toepassing is op de activiteit van kredietinformatiebureaus zoals de in het geding geroepen partij. De verwijzende rechter heeft echter grote twijfels over een dergelijke restrictieve uitlegging. Hij ziet sterke aanwijzingen dat de geautomatiseerde vaststelling van een kredietscore door kredietinformatiebureaus voor de voorspellende beoordeling van de financiële gezondheid van een betrokkene een zelfstandig besluit op basis van geautomatiseerde verwerking is in de zin van artikel 22, lid 1, AVG. Mocht artikel 22, lid 1, AVG aldus op die manier worden uitgelegd, dan zou deze onder het verbod van geautomatiseerde individuele besluitvorming vallen. Bijgevolg zou een rechtsgrondslag in de zin van artikel 22, lid 2, onder b), AVG vereist zijn, waarvoor alleen § 31 BDSG in aanmerking kan komen. De verwijzende rechter heeft grote twijfels over de verenigbaarheid van deze bepaling met artikel 22 AVG. Indien de eerste prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord dan is de afwijkingsbepaling van artikel 22, lid 2, onder b), AVG ook niet van toepassing op nationale regelingen betreffende profilering. Vanwege het in beginsel uitputtende karakter van de AVG, die is gericht op volledige harmonisatie, moet daarom worden gezocht naar een andere regelgevende bevoegdheid voor nationale regelgeving. Aangezien van een dergelijke bevoegdheid echter niet blijkt en deze met name niet voortvloeit uit de rudimentaire voorschriften van de AVG, is de nationale regeling in § 31 BDSG niet van toepassing, waardoor de toetsingsmogelijkheden van de nationale toezichthoudende autoriteit veranderen, die dan zou moeten toetsen of de activiteit van kredietinformatiebureaus verenigbaar is met artikel 6 AVG.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 22, lid 1, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (PB 2016, L 119, blz. 1; hierna: „AVG”) aldus worden uitgelegd dat de geautomatiseerde vaststelling van een waarschijnlijkheidswaarde voor het vermogen van een persoon om in de toekomst een lening af te lossen, reeds een besluit vormt dat uitsluitend op geautomatiseerde verwerking, waaronder profilering, is gebaseerd en waaraan voor de betrokkene rechtsgevolgen zijn verbonden of dat hem anderszins in aanmerkelijke mate treft, wanneer die waarde, die met behulp van persoonsgegevens van de betrokkene is vastgesteld, door de verwerkingsverantwoordelijke aan een verwerkingsverantwoordelijke derde wordt doorgegeven en die derde zijn besluit over de totstandbrenging, de uitvoering of de beëindiging van een contractuele relatie met de betrokkene hoofdzakelijk op die waarde baseert?

2. Indien de eerste prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord: Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 22 AVG aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een waarschijnlijkheidswaarde – in casu betreffende de solvabiliteit en betalingsbereidheid van een natuurlijke persoon, met inaanmerkingneming van informatie over vorderingen – voor een bepaalde toekomstige gedraging van een natuurlijke persoon slechts met het oog op het besluit over de totstandbrenging, uitvoering of beëindiging van een contractuele relatie met die persoon (zogenoemde scoring) mag worden gebruikt, indien is voldaan aan bepaalde nadere voorwaarden die in de motivering van de verwijzingsbeslissing nader zijn uiteengezet?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-582/14)

Specifiek beleidsterrein: EZK, JenV