C-769/23 Mara 

Contentverzamelaar

C-769/23 Mara 

Prejudiciële hofzaak 

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak , en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    23 februari 2024
Schriftelijke opmerkingen:                    9 april 2024

Trefwoorden: aanbesteding; vrij verkeer van diensten; evenredigheid

Onderwerp:

-             Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten: artikel 67;

-             Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie: artikelen 49 en 56.

Feiten:

Verzoekende partij is ‘Mara soc. Coop. A r.l.’ (hierna: Mara). Verwerende partijen zijn het Italiaanse ministerie van Defensie (hierna: ministerie) en ‘Gruppo Samir Global Service Srl’ (hierna: Gruppo). Het ministerie heeft op 14 juli 2022 een besluit tot aanbesteding gedaan op het gebied van een perceel van de militaire luchtmacht. In de aanbestedingsregels was opgenomen dat de opdracht gegund wordt op basis van het criterium van de laagste prijs. Kortingsprijzen mochten alleen op een meerprijs worden toegepast. Zowel Mara als Gruppo hadden een korting van 100% aangeboden voor deze opdracht, maar bij loting werd de opdracht voor het perceel aan Mara gegund. Gruppo is opgekomen tegen de gunning, waarna de aanbesteding nietig is verklaard in de nationale procedure. Mara is vervolgens in hoger beroep gegaan en heeft gevraagd om een herziening van het vonnis, op gronde dat het criterium voor de laagste prijs in strijd is met artikel 67 van de richtlijn 2014/24.

Overweging:

Artikel 67 van richtlijn 2014/24 stelt regels omtrent gunningscriteria bij aanbestedingen vast. Hierin is geregeld dat lidstaten kunnen bepalen dat de aanbestedende diensten de prijs of de kosten niet als enige gunningscriterium mogen hanteren. Lid 2 ziet op regels omtrent de economisch meest voordelige inschrijving. Mara stelt dat de nationale regel waarin staat dat het criterium van de laagste prijs niet voor arbeidsintensieve opdrachten kan worden gekozen niet van toepassing is op overeenkomsten die daarnaast ook gestandaardiseerde kenmerken vertonen, wat in casu het geval is. De verwijzende rechter stelt dat de voorkeur voor het Unierecht voor het criterium van de ‘economisch meest voordelige inschrijving’ van artikel 67, lid 2, in de onderhavige zaak niet in overeenstemming lijkt met de redenen die daaraan ten grondslag zouden moeten liggen en dat de oplegging van het criterium derhalve een kennelijk buitensporige, onevenredige en ongerechtvaardigde maatregel lijkt te zijn.

Prejudiciële vraag:

Verzetten de in de artikelen 49 en 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) vastgelegde beginselen van vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten, alsmede het [Unierechtelijke] evenredigheidsbeginsel en artikel 67, lid 2, van richtlijn 2014/24/EU, zich tegen de toepassing van een nationale regeling op het gebied van overheidsopdrachten als de Italiaanse regeling die is vervat in artikel 95, lid 3, onder a), en lid 4, onder b), en artikel 50, lid 1, van decreto legislativo nr. 50 van 18 april 2016, zoals die ook voortvloeit uit het rechtsbeginsel dat de Consiglio di Stato in voltallige zitting heeft geformuleerd in zijn arrest nr. 8 van 21 mei 2019, volgens welk het de aanbestedende dienst verboden is om in het geval van aanbestedingen van diensten met gestandaardiseerde kenmerken die tevens arbeidsintensief zijn, vast te stellen dat het criterium van de laagste prijs als gunningscriterium van toepassing is, zelfs indien in de aanbestedingsregels is bepaald dat de korting uitsluitend mag worden berekend over de meerprijs of de potentiële winst van de onderneming, met uitzondering van de arbeidskosten?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: -

Specifiek beleidsterrein: EZK ; BZK

Gerelateerde documenten