C-796/23 Ceska sit

Contentverzamelaar

C-796/23 Ceska sit

Prejudiciële hofzaak 


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik
hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    6 maart 2024
Schriftelijke opmerkingen:                    21 april 2024

Trefwoorden: BTW

Onderwerp: Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: artikelen 9, 11  en 193.

Feiten:

Verzoekende partij is de venootschap ‘Česká síť s.r.o.’ (hierna: Česká) en verwerende partij is de nationale directoraat financiën. Česká verstrekt samen met andere ondernemingen internet aan eindgebruikers. Deze rechtspersonen hebben de diensten uit eigen naam verricht. Tussen Česká en de ondernemingen bestonden wel banden ten aanzien waarvan de belastingautoriteit heeft gesteld dat er sprake is van een vennootschap, wat op grond van nationale regelgeving een ‘uit personen bestaande associatie zonder rechtspersoonlijkheid’ betekent. Op grond van de nationale btw-regelgeving voor vennootschappen, was er volgens de belastingautoriteit over de gehele vennootschap btw verschuldigd. Om deze reden heeft de belastingautoriteit twaalf belastingaanslagen en een boete opgelegd aan Česká. Hiertegen is bezwaar gemaakt en daarna cassatie ingesteld.

Overweging:

De verwijzende rechter twijfelt over wie er in deze zaak belastingplichtig is in de zin van artikel 9, lid 1, van richtlijn 2006/112. Het is onduidelijk of dit de gehele vennootschap is zoals de belastingautoriteit betoogd, of alleen de vennootschap die voor de diensten optrad tegenover de eindverbruiker. De verwijzende rechter vermoedt dat Česká geen belastingplichtige is, en twijfelt daardoor over de rechtmatigheid van de nationale regelgeving in het licht van artikel 193 van richtlijn 2006/112.

Prejudiciële vragen:

Is het verenigbaar met richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, in het bijzonder met artikel 9, lid 1, en artikel 193 ervan, dat een zogeheten „aangewezen vennoot” krachtens een bijzondere nationale regeling inzake de belasting over de toegevoegde waarde voor zogeheten „vennootschappen” (uit personen bestaande associaties zonder rechtspersoonlijkheid) belasting voor de gehele vennootschap verschuldigd is, hoewel in het kader van de verleende diensten een andere vennoot ten aanzien van de eindverbruiker is opgetreden?

Is de verenigbaarheid van deze situatie met de genoemde richtlijn afhankelijk van het antwoord op de vraag of die andere vennoot de gedragsregels voor dergelijke vennootschappen heeft overschreden en in eigen naam jegens de eindverbruiker is opgetreden?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-276/14 Gmina Wroclaw; C-312/19 Valstybinė mokesčių inspekcija;

C-340/15 Nigl e.a.; C-312/19 Valstybinė mokesčių inspekcija; C-519/21 DGRFP Cluj; C-274/15 Commissie/Luxemburg; C-734/19 ITH Comercial Timişoara

Specifiek beleidsterrein: FIN-Fiscaal