C-809/23 Sumitomo Chemical Agro Europe

Contentverzamelaar

C-809/23 Sumitomo Chemical Agro Europe

Prejudiciële hofzaak 

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak , en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    19 februari 2024
Schriftelijke opmerkingen:                    5 april 2024

Trefwoorden: biociden; informatieverzoek; vertrouwelijkheid

Onderwerp:

-             Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biocide: artikel 19;

-             Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden: artikelen 66, 67, 91 en 96;

-             Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie: artikelen 4 en 11.

Feiten:

Verzoekende partij Sumitomo Chemical Agro Europe SAS (hierna: Sumitomo) heeft een biocide voor muggenbestrijding op de markt gebracht, met als werkzame stof het serotype H14 met de stam Bti-AM65-52. Verwerende partij Compagnie européenne de réalisations antiparasitaires SAS France (hierna: CERA), heeft een soortgelijke muggenbestrijding op de markt gebracht en hier aanvragen voor ingediend bij Agence nationale de sécurité sanitaire de l’alimentation, de l’environnement et du travail (hierna: ANSES). Deze muggenbestrijding bevat dezelfde soort serotype als de stof van Sumitomo, maar bevat een andere stam (Bti-BMP 144), welke niet voorkomt op de lijst van toegestane stoffen in de EU. ANSES stelt in een beoordelingsrapport dat de twee stammen een ‘technische gelijkwaardigheid’ hebben. Sumitomo verzoekt om het rapport bij ANSES, en krijgt dit slechts gedeeltelijke toegestuurd. Hiertegen is Sumitomo in (hoger) beroep gegaan.

Overweging:

De verwijzende rechter wil weten of de nationale autoriteit het verzoek tot informatie moet onderzoeken in het licht van de vertrouwelijkheidsregels van artikel 19 van richtlijn 98/8 moet zien, danwel in het licht van artikelen 66 en 67 van verordening nr. 528/2012. Op grond van artikel 67 van verordening 528/2012 kan beargumenteerd worden dat het beoordelingsrapport openbaar moet worden gemaakt, daarentegen is het volgens de verwijzende rechter niet duidelijk wat de regels zijn omtrent de toegang tot een beoordelingsrapport over de technische gelijkwaardigheid van de stoffen in het biocide, op grond van artikel 54.  Tevens twijfelt de verwijzende rechter of op grond van artikel 19, lid 3, onder f) en k), van richtlijn 98/8 welke informatie moet kunnen worden verkregen over de analysemethoden en de samenstelling van de werkzame stof of het biocide.

Prejudiciële vragen:

1. Indien de bevoegde nationale autoriteit waarbij vóór 1 september 2013 een aanvraag tot toelating voor het op de markt brengen van een biocide is ingediend en die deze aanvraag overeenkomstig artikel 91 van verordening nr. 528/2012 heeft onderzocht op grond van de nationale bepalingen ter omzetting van richtlijn 98/8/EG, na afgifte van die toelating door een derde wordt verzocht om toegang tot informatie over het door haar toegelaten biocide en de daarin vervatte werkzame stof, en met name over de technische gelijkwaardigheid daarvan met een toegelaten werkzame stof, moet deze autoriteit dit verzoek om toegang dan onderzoeken in het licht van de vertrouwelijkheidsregels die zijn vastgelegd in de nationale bepalingen ter omzetting van artikel 19 van richtlijn 98/8/EG, dan wel in het licht van de regels van de artikelen 66 en 67 van verordening nr. 528/2012?

2. Indien een dergelijk verzoek om toegang onder richtlijn 98/8/EG valt, waarvan artikel 19 van toepassing is onverminderd richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003:

– kan de aanvrager op grond van lid 3, onder k), van dat artikel, waarin is bepaald dat nadat de toelating voor het op de markt brengen van het biocide is verleend, de „analysemethoden, bedoeld in artikel 5, lid 1, onder c)” in geen geval als vertrouwelijk worden beschouwd, alle gedetailleerde informatie betreffende deze methoden verkrijgen, zelfs indien de openbaarmaking ervan het zakengeheim in het gedrang kan brengen, dan wel alleen algemene informatie betreffende de aard van deze methoden en, in voorkomend geval, de conclusies die daaruit konden worden getrokken?

– kan de aanvrager op grond dat de „de fysische en chemische eigenschappen van de werkzame stof en het biocide” krachtens artikel 19, lid 3, onder f), in geen geval als vertrouwelijk worden beschouwd nadat de toelating is verleend, openbaarmaking eisen van gedetailleerde gegevens over de samenstelling van de werkzame stof of het biocide, zelfs indien daarmee productieprocedés rechtstreeks of indirect kunnen worden onthuld?

3. Indien een dergelijk verzoek om toegang daarentegen onder verordening nr. 528/2012 valt:

– heeft de Uniewetgever met de artikelen 66 en 67 van deze verordening, waarin niet wordt verwezen naar richtlijn 2003/4, een specifieke en uitputtende regeling willen vaststellen voor de openbaarmaking van informatie over biociden en de werkzame stoffen ervan en zodoende de bepalingen van richtlijn 2003/4 buiten toepassing willen laten, voor zover daarin ten eerste is bepaald dat het zakengeheim niet in de weg kan staan aan de openbaarmaking van informatie over emissies in het milieu en ten tweede dat, wanneer de openbaarmaking van andere milieu-informatie de commerciële belangen van een onderneming kan schaden, de bevoegde administratieve autoriteit, alvorens een eventuele openbaarmaking te weigeren, de belangen van die onderneming moet afwegen tegen het algemeen belang?

– valt de openbaarmaking van een beoordelingsrapport over de technische gelijkwaardigheid van een goedgekeurde werkzame stof met de werkzame stof in een biocide, dat wordt opgesteld naar aanleiding van een aanvraag tot toelating voor het op de markt brengen van dat biocide, onder artikel 67, lid 3, onder e), van verordening nr. 528/2012, waarin is bepaald dat het beoordelingsrapport over goedgekeurde werkzame stoffen openbaar wordt gemaakt, tenzij de aanvrager om vertrouwelijke behandeling heeft verzocht, onder lid 4, onder b), van datzelfde artikel, waarin is bepaald dat het beoordelingsrapport over een toegelaten biocide openbaar wordt gemaakt, tenzij de aanvrager om vertrouwelijke behandeling heeft verzocht, dan wel onder andere openbaarmakingsregels?

– kan de aanvrager op grond van artikel 66, lid 3, onder j), van verordening nr. 528/2012, waarin is bepaald dat, nadat toelating voor het op de markt brengen van een biocide is verleend, de toegang tot de „de analysemethoden, bedoeld in artikel 19, lid 1, onder c)” „in geen geval wordt geweigerd”, alle gedetailleerde informatie betreffende deze methoden verkrijgen, zelfs indien de openbaarmaking ervan het zakengeheim in het gedrang kan brengen, dan wel alleen algemene informatie betreffende de aard van deze methoden en, in voorkomend geval, de conclusies die daaruit konden worden getrokken?

– moet artikel 67, lid 1, onder h), van diezelfde verordening, waarin is bepaald dat vanaf de datum waarop een werkzame stof is goedgekeurd, de „analysemethoden als bedoeld in [...] titel 2, afdeling 4.2 van bijlage II” kosteloos ter beschikking worden gesteld, aldus worden uitgelegd dat dit artikel in werkelijkheid verwijst naar de vermelding in afdeling 4.3 van de tabel in titel 2 van bijlage II, waarnaar het verwees vóór de vaststelling van de gedelegeerde verordening van de Commissie van 19 oktober 2020 tot wijziging van de bijlagen II en III bij de verordening? Indien deze bepalingen aldus moeten worden uitgelegd dat zij verwijzen naar de thans geldende vermelding in afdeling 4.2 van de tabel in titel 2 van bijlage II, en in de veronderstelling dat deze vermelding van toepassing is op een werkzame stof die niet is goedgekeurd, maar die is erkend als technisch gelijkwaardig met een goedgekeurde werkzame stof, kan de aanvrager dan op grond van de in beginsel openbaar te maken „Methoden voor de analyse van het micro-organisme, zoals vervaardigd” als bedoeld in die afdeling 4.2, alle gedetailleerde informatie betreffende deze methoden verkrijgen, zelfs indien de openbaarmaking ervan het zakengeheim in het gedrang kan brengen, dan wel alleen algemene informatie betreffende de aard van deze methoden en, in voorkomend geval, de conclusies die daaruit konden worden getrokken?

4. Indien, tot slot, de bepalingen van richtlijn 2003/4 in het onderhavige geding van toepassing zijn, kan het begrip „informatie over emissies in het milieu” in de zin van artikel 4, lid 2, van deze richtlijn, dat ziet op inlichtingen over de aard, de samenstelling, de hoeveelheid, de datum en de plaats van deze emissies, alsook op gegevens over de invloeden die deze emissies op kortere of langere termijn op het milieu hebben, zich dan uitstrekken tot de door de bevoegde autoriteit verzamelde of ontvangen informatie in het kader van het onderzoek naar de technische gelijkwaardigheid van een werkzame stof met een goedgekeurde werkzame stof, of blijft de draagwijdte ervan beperkt tot informatie over het biocide dat een dergelijke stof bevat, aangezien dit biocide in al zijn bestanddelen in het milieu wordt uitgestoten, en niet de werkzame stof alleen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-442/14 Bayer CropScience en de Stichting De Bijenstichting

Specifiek beleidsterrein: IenW; LNV

Gerelateerde documenten