Contentverzamelaar

EU-Hof: geen soepeler eisen voor duurzaam verblijfsrecht gepensioneerde
Een gepensioneerde die niet voldoet aan de minimum EU-eisen van drie jaar wonen en twaalf maanden werken in een lidstaat heeft daar geen recht op een duurzaam verblijfsrecht. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van het Oostenrijkse Oberste Gerichtshof.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 22 januari 2020 in de zaak C-32/19 AT tegen Pensionsversicherungsanstalt .

Feiten

AT heeft de Roemeense nationaliteit en verblijft sinds 21 augustus 2013 permanent in Oostenrijk. Op 28 januari 2015 heeft AT de Oostenrijkse wettelijke pensioenleeftijd bereikt. In Oostenrijk kunnen gepensioneerden aanspraak maken op een toeslag wanneer hun pensioenbedrag lager is dan de voor hen geldende pensioennorm. Voorwaarde voor het aanvragen van deze toeslag is dat de aanvrager legaal op het grondgebied van Oostenrijk verblijft. De pensioendienst heeft de aanvraag van AT afgewezen omdat hij illegaal op het grondgebied zou verblijven omdat hij geen duurzaam verblijfsrecht had.

In deze zaak stond de vraag centraal of AT een duurzaam legaal verblijfsrecht heeft verworven. EU-richtlijn 2004/38 (hierna: richtlijn) regelt het duurzame verblijfsrecht. Om in aanmerking te komen voor een duurzaam verblijfsrecht geldt de voorwaarde dat de EU-burger gedurende tenminste vijf jaren op het grondgebied van een lidstaat heeft verbleven (artikel 16). AT beroept zich op een uitzonderingsregeling voor personen die aanspraak kunnen maken op een ouderdomspensioen of gebruik maken van een vervroegde uittreding (artikel 17). Om onder de uitzondering te kunnen vallen moet een persoon tenminste twaalf maanden ononderbroken hebben gewerkt en meer dan drie jaar ononderbroken in de gastlidstaat hebben verbleven.

De pensioendienst en lagere rechters hebben vastgesteld dat AT niet heeft voldaan aan deze cumulatieve vereisten, omdat hij maar tien maanden had gewerkt. Het Oberste Gerichtshof vraagt zich echter af of de cumulatieve vereisten wel van toepassing zijn op personen die reeds de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt of dat zij alleen gelden voor vervroegde uittreders.

EU-Hof

Het EU-Hof komt tot het oordeel dat de cumulatieve vereisten gewoon van toepassing zijn op personen die reeds de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt. Het EU-Hof bepaalt ten eerste dat geen onderscheid kan worden gemaakt tussen vervroegde uittreders en personen die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt. Ter ondersteuning van dit argument verwijst het EU-Hof naar de voorgangers van de richtlijn. Vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2004/38 konden alleen personen die de wettelijke pensioenleeftijd hadden bereikt aanspraak maken op de uitzonderingsregeling. Ook toen golden reeds de cumulatieve vereisten.

Ten tweede benadrukt het EU-Hof dat het uitsluiten van de cumulatieve vereisten afbreuk zou doen aan het progressieve stelsel van richtlijn 2004/38. Dit stelsel houdt in dat burgers aan strengere voorwaarden moeten voldoen naarmate zij langer op het grondgebied van een gastlidstaat willen verblijven. De veronderstelling dat men een duurzaam verblijfsrecht zou kunnen verwerven door het enkele feit dat men de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt zou niet te verenigen zijn met dit stelsel.

Ten derde overweegt het EU-Hof dat AT zich beroept op een uitzonderingsregeling. Het EU-Hof benadrukt dat uitzonderingsbepalingen restrictief dienen te worden uitgelegd.

Tenslotte oordeelt het EU-Hof dat het vrijstellen van de cumulatieve vereisten in strijd zou zijn met de doelstellingen van richtlijn 2004/38. Overweging 17 van de richtlijn bepaalt dat het duurzame verblijfsrecht afhankelijk is gesteld van de integratie van de betrokken Unieburger. De cumulatieve vereisten dragen juist bij aan de integratie van de EU-burger in de gastlidstaat, aldus het EU-Hof.