Deze zaak betreft mogelijke douanefraude in verband met de invoer van Chinese goederen in de EU. Volgens het EU-recht moeten nationale autoriteiten het Europees Openbaar Ministerie (EPPO) inlichten over onderzoeken naar misdrijven tegen de EU-begroting. Dit stelt het EPPO in staat zijn „recht van evocatie“ uit te oefenen, wat betekent dat het onderzoeken van nationale autoriteiten kan overnemen. In de onderhavige zaak heeft een Belgische rechtbank vastgesteld dat de nationale autoriteiten, in strijd met de toepasselijke regels, hebben nagelaten het onderzoek aan het EPPO te melden. Zij heeft het Hof van Justitie gevraagd of de strafrechter de zaak moet terugverwijzen naar de nationale autoriteiten, zodat deze het EPPO van het onderzoek in kennis kunnen stellen, waardoor het EPPO, indien nodig, zijn recht van evocatie kan uitoefenen.
Deze zaak volgt uit een klacht van een ouder wiens kind onderwijs volgt in een vrije school. De klacht is gericht tegen de inrichtende macht van de school en betreft een enquête met betrekking tot het welbevinden van de leerlingen die de school via het digitaal platform Smartschool aan haar leerlingen had voorgelegd. De ouder verwijt de school dat zij de ouders niet vooraf had geïnformeerd over de enquête, niet om hun toestemming had gevraagd, meer gegevens verwerkte dan noodzakelijk was voor de doeleinden van de verwerking en dat zij ten onrechte geen beoordeling inzake ‘gegevensbeschermingseffecten’ had uitgevoerd. De vraag is echter of, op basis van de GDPR, aan het vrije gesubsidieerde onderwijs als “overheid” een administratieve geldboete mag worden opgelegd.
Hoe moet de toegang tot informatie over de uiteindelijk begunstigden van met trusts vergelijkbare juridische constructies met het oog op de bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering worden gerijmd met de rechten van deze uiteindelijk begunstigden op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, bescherming van persoonsgegevens en op een doeltreffende voorziening in rechte? In deze zaak moet het Hof uitspraak doen over de vraag of de keuze van de Italiaanse wetgever om fiduciaire mandaten aan te merken als soortgelijke juridische constructies die als zodanig onderworpen zijn aan de verplichting om de uiteindelijk begunstigden daarvan aan te wijzen zodat zij kunnen worden ingeschreven in het centraal register van uiteindelijk begunstigden, in overeenstemming is met richtlijn 2015/849. Het Hof zal moeten beoordelen of het begrip „soortgelijke juridische constructies”, bij gebreke van een definitie daarvan in deze richtlijn, voldoende duidelijk, nauwkeurig en voorspelbaar is en of fiduciaire mandaten, die geen eigendomsoverdracht behelzen, als dergelijke soortgelijke juridische constructies kunnen worden beschouwd