A-G: Rechter moet rekening houden met gewijzigde omstandigheden na vaststelling verwijderingsbesluit werkzoekende EU-burger

Contentverzamelaar

A-G: Rechter moet rekening houden met gewijzigde omstandigheden na vaststelling verwijderingsbesluit werkzoekende EU-burger
Het is kenmerkend voor een EU-burger die op zoek is naar werk dat zijn arbeidssituatie snel kan veranderen na de vaststelling van een verwijderingsbesluit. Een rechter moet daarom rekening houden met gewijzigde omstandigheden die zich na de vaststelling van het besluit hebben voorgedaan. Met name wanneer de gewijzigde omstandigheden nauw verband houden met de toepassingsvoorwaarden voor het verkrijgen van een verblijfsrecht. Dat is het advies van advocaat-generaal Szpunar aan het EU-Hof in een Belgische zaak.

Het gaat om de conclusie van advocaat-generaal Szpunar (hierna: A-G) van 17 september 2020 in de zaak C-710/19, G.M.A. tegen Belgische Staat

G.M.A. is Grieks onderdaan en heeft in 2015 in België een aanvraag ingediend voor een verklaring van inschrijving als werkzoekende. Als werkzoekende kan G.M.A. aanspraak maken op een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden. Volgens de Dienst Vreemdelingenzaken (België) maakte G.M.A. echter geen reële kans om ergens te worden aangenomen. De Dienst Vreemdelingenzaken heeft de aanvraag daarom bij besluit afgewezen en een verwijderingsbesluit tegen G.M.A. vastgesteld. Een maand na de afwijzing is G.M.A. in dienst getreden als stagiair bij het Europees Parlement (België).

Nadat de rechter in eerste aanleg het beroep van G.M.A. tegen de besluiten van de Dienst Vreemdelingenzaken had verworpen heeft G.M.A. cassatieberoep ingesteld bij de Raad van State (België). G.M.A voert ten eerste aan dat uit artikel 45 EU-Werkingsverdrag en artikel 14, lid 4, onder b, richtlijn 2004/38 volgt dat lidstaten een werkzoekende een redelijke termijn moeten geven om werk te zoeken. Daarnaast stelt G.M.A. dat deze termijn in geen geval minder dan zes maanden mag bedragen en dat de werkzoekende gedurende deze termijn in het gastland mag verblijven zonder dat hij aan hoeft te tonen dat hij een reële kans maakt op een aanstelling. De Raad van State vraagt aan het EU-Hof of een dergelijke uitleg aan deze bepalingen moet worden gegeven.

Daarnaast verwijst G.M.A. naar de artikelen 15 juncto 31 van richtlijn 2004/38 , waarin procedurele waarborgen zijn vastgelegd voor de toetsing van verwijderingsbesluiten door de rechter. In dit verband moet een rechter volgens G.M.A. alle feiten en omstandigheden onderzoeken die relevant zijn bij de toetsing van een besluit, zelfs indien deze omstandigheden dateren van na het besluit. De indiensttreding van G.M.A. bij het Europees Parlement vormt zo’n omstandigheid die dateert van na het besluit. De rechter in deze zaak wil van het EU-Hof weten of een rechter inderdaad rekening moet houden met omstandigheden van na de vaststelling van het verwijderingsbesluit.

Advies

De A-G brengt met betrekking tot de eerste vraag in herinnering dat uit de zaak C-292/89 volgt dat het gastland verplicht is om werkzoekenden een redelijke termijn voor het zoeken naar werk te geven. Om de kwalificatie als werkzoekende te behouden moet aan twee voorwaarden zijn voldaan. De werkzoekende moet kunnen bewijzen dat hij nog immer werk zoekt en dat er een reële kans bestaat dat er een aanstelling zal volgen ( artikel 14, lid 4, onder b, richtlijn 2004/38 ).

De A-G concludeert dat de bewijslast van werkzoekenden in drie stappen kan worden onderverdeeld. Gedurende de eerste drie maanden na aankomst in de gastlidstaat kan van de werkzoekende niet worden verlangd dat hij aantoont dat hij nog immer werk zoekt en dat hij een reële kans maakt om te worden aangesteld. De eerste drie maanden hebben alle EU-burgers namelijk het recht om in een andere lidstaat te verblijven zonder dat aan bepaalde voorwaarden dient te zijn voldaan ( artikel 6, richtlijn 2004/38 ). Na verloop van drie maanden moet de werkzoekende een redelijke termijn krijgen om werk te zoeken. Tijdens deze redelijke termijn kan de werkzoekende worden verplicht dat hij bewijs levert dat hij nog immer werk zoekt. Na afloop van deze redelijke termijn moet de werkzoekende eveneens kunnen aantonen dat hij een reële kans op een aanstelling maakt.

Ten aanzien van de redelijke termijn concludeert de A-G dat deze termijn voldoende moet zijn om het in artikel 45 EU-Werkingsverdrag erkende recht niet uit te hollen. De A-G erkent dat het EU-Hof in C-292/89 heeft geoordeeld dat een termijn van drie maanden vanaf de eerste periode van drie maanden legaal verblijf toereikend is, maar volgens de A-G kan uit dat arrest niet worden afgeleid dat een werkzoekende altijd een aanvullende termijn van drie maanden moet krijgen. De A-G acht het wenselijk dat een vaste termijn wordt vastgesteld, maar ziet dit als een taak van de EU-wetgever.

Met betrekking tot de tweede vraag concludeert de A-G dat een rechter rekening moet kunnen houden met alle wijzigingen in de omstandigheden die zich na de vaststelling van een administratief besluit tot verwijdering hebben voorgedaan. Het is namelijk eigen aan de situatie van een EU-burger die op zoek is naar werk dat zijn situatie snel kan veranderen nadat een besluit is genomen. Het meewegen van de gewijzigde omstandigheden is des te meer van belang wanneer deze gewijzigde omstandigheden nauw verband houden met de toepassingsvoorwaarden voor het verkrijgen van een verblijfsrecht. Een andere uitlegging zou volgens de A-G in strijd zijn met het doeltreffendheidsbeginsel.

Opmerking:  een conclusie van een A-G is een advies aan het EU-Hof. Het EU-Hof is volledig vrij daarvan af te wijken. Het is nog niet bekend wanneer de uiteindelijke uitspraak van het EU-Hof zal verschijnen. Dit kan nog enkele maanden duren. De uitspraak van het EU-Hof zal wel bindend zijn.

Meer informatie: