C-046/13 H

Contentverzamelaar

C-046/13 H
Prejudiciële Hofzaak C-46/13 H
 

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:  19 maart 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:  5 april 2013
Schriftelijke opmerkingen:                  5 mei 2013
Trefwoorden: bescherming persoonsgegevens; handvest grondrechten

Onderwerp:
- Handvest grondrechten artikel 8
- Richtlijn 2006/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van richtlijn 2002/58/EG (Pb L 105, blz. 54;
- Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (Pb L 281, blz. 31)

Verzoeker, die evenals verweerster anoniem wenst te blijven hetgeen door het Hof is gehonoreerd, (maar overigens niet zeer consequent is doorgevoerd) heeft bezwaar gemaakt tegen onvolledige verstrekking van gevraagde gegevens door verweerster,  een openbare telecommunicatiedienst/netwerk. Verweerster bestrijdt die onvolledigheid niet. Het gaat om gegevens over een abonnement voor mobiele telefonie. Verweerster verstrekt inlichtingen over de aard van de verzamelde gegevens maar geeft geen inhoudelijke informatie.
In juni 2012 tekent verzoeker beroep aan bij de OOS Commissie bescherming persoonsgegevens (“Datenschutzkommission”), de verwijzende rechter in deze zaak. Verweerster beroept zich op de wettelijke inperking van de speelruimte om de doelstelling van gegevensbewaring niet in gevaar te brengen en criminelen een kans te geven gegevens te verkrijgen, te weten artikel 7 c van RL 2006/24/EG.

De verwijzende OOS rechter stelt het Hof de volgende vragen:
1. Moet artikel 7, sub c, van richtlijn 2006/24/EG aldus worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon op wie een gegevensbewaring in de zin van de richtlijn betrekking heeft, niet behoort tot de kring van „speciaal daartoe bevoegde personen” in de zin van deze bepaling, en die persoon geen recht kan worden toegekend om van de aanbieder van een openbare communicatiedienst of de exploitant van een openbaar communicatienetwerk inlichtingen te verkrijgen over zijn eigen gegevens?
2. Moet artikel 13, lid 1, sub c en d, van richtlijn 95/46/EG aldus worden uitgelegd dat het recht van een natuurlijke persoon op wie een gegevensbewaring in de zin van richtlijn 2006/24/EG betrekking heeft, om op grond van artikel 12, sub a, van eerstgenoemde richtlijn van de aanbieder van een openbare communicatiedienst of de exploitant van een openbaar communicatienetwerk inlichtingen te verkrijgen over zijn eigen gegevens, kan worden uitgesloten of beperkt?
3. Indien de eerste vraag, op zijn minst, gedeeltelijk bevestigend wordt beantwoord, is dan artikel 7, sub c, van richtlijn 2006/24/EG verenigbaar met het fundamentele recht van artikel 8, lid 2, tweede zin, van het Handvest en dus geldig?

 Specifiek beleidsterrein: BZK
mede: VenJ