C-058/13 en C-059/13 Torresi ea

Contentverzamelaar

C-058/13 en C-059/13 Torresi ea
Gevoegde prejudiciële Hofzaken C-058/13 en C-059/13 Torresi e.a.
 

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier C-058/13 van het Hof van Justitie en hier voor het volledige dossier C-05913 /van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:  26 maart 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:  12 april 2013
Schriftelijke opmerkingen:                  12 mei 2013
Trefwoorden: beroepskwalificaties; recht vrije vestiging

Onderwerp: Richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven

Verzoeker Angelo Alberto Torresi is ITA staatsburger. Hij behaalt in SPA de titel ‘abogado’ en dient drie maanden later bij de Orde van advocaten van Macerata/ITA, zich beroepend op de ITA regelgeving die de omgezette RL 98/5 behelst, een aanvraag in tot inschrijving op het tableau van gevestigde advocaten.
De Orde reageert niet op tijd, waarna verzoeker zich tot de verwijzende rechter wendt en inschrijving eist omdat hij aan de gestelde eisen voldoet. Hij beroept zich op gelijke behandeling op basis van de vrijheid van vestiging, en op zowel nationale als Europese jurisprudentie.
In zaak C-59/13 is Pierfrancesco Torresi de verzoeker. De feiten en vragen zijn gelijk.

De verwijzende ITA rechter ziet in de considerans van de richtlijn dat de mogelijkheid voor advocaten om permanent onder hun oorspronkelijke beroepstitel in een lidstaat van ontvangst werkzaam te zijn mede is ingegeven door het toenemende handelsverkeer (interne markt) en de behoefte aan juridische adviezen over de grenzen heen. Tevens is in de considerans opgenomen dat een lidstaat rekening mag houden met (het ontbreken van) ervaring op het grondgebied van de lidstaat. Maar advocaten zouden na drie jaar praktijk in de ontvangststaat geacht moeten worden aan alle vereisten te voldoen.
De verwijzende rechter constateert dat enerzijds het stellen van extra eisen door de lidstaat (zie arrest Wilson) niet in de haak is. Verzoeker zou op grond daarvan zonder meer toestemming moeten worden verleend. Maar anderzijds meent hij dat wel moet kunnen worden nagegaan of er sprake is van misbruik van recht, zoals bijvoorbeeld fraude met diploma’s. Wegens deze enerzijds/anderzijds redenering legt hij het Hof de volgende vragen voor:
1) Moet artikel 3 van richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven, in het licht van het algemene verbod van misbruik van recht en van artikel 4, lid 2, VEU inzake de eerbiediging van de nationale identiteit, aldus worden uitgelegd dat de nationale bestuurlijke autoriteiten Italiaanse staatsburgers die misbruik hebben gemaakt van het recht van de Unie dienen in te schrijven op de lijst van gevestigde advocaten, en staat dit artikel in de weg aan een nationale praktijk op grond waarvan deze autoriteiten een verzoek om inschrijving op het tableau van de gevestigde advocaten mogen afwijzen, indien zich objectieve omstandigheden voordoen die leiden tot het oordeel dat misbruik is gemaakt van het recht van de Unie, onverminderd, enerzijds, de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel en het verbod van discriminatie en, anderzijds, het recht van de betrokkene om in rechte te klagen over eventuele schendingen van het recht van vestiging en dus de toetsing door een rechter van de handelwijze van het bestuur?
2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: is artikel 3 van richtlijn 98/5/EG, aldus uitgelegd, ongeldig in het licht van artikel 4, lid 2, VEU voor zover op grond daarvan een regeling van een lidstaat kan worden omzeild waarin de toegang tot het beroep van advocaat afhankelijk is gesteld van een staatsexamen dat is voorgeschreven door de grondwet van deze Staat en deel uitmaakt van de fundamentele beginselen ter bescherming van de afnemers van beroepswerkzaamheden en een goede rechtsbedeling?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-506/04 Wilson; C-311/06 Consiglio Nazionale degli Ingegneri;
Specifiek beleidsterrein: OCW
Mede VenJ