C-071/24  Alior Bank 

Contentverzamelaar

C-071/24  Alior Bank 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    2 april 2024
Schriftelijke opmerkingen:                    19 mei 2024

Trefwoorden: kredietovereenkomst; consumentenbescherming; rente

Onderwerp:

-             Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten: artikel 10, lid 2, onder f) en artikel 3, onder j);

-             Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten: artikel 3, leden 1 en 2, artikel 4, lid 1 en artikel 5;

-             Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest): artikel 38;

-             Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWE): artikel 169, lid 1.

Feiten:

Verzoekende partij ‘Alior Bank S.A.’ (hierna: bank) en verwerende partij ‘J.D.’ hebben op 29 november 2017 een overeenkomst gesloten voor het verlenen van een krediet aan J.D. De verplichtingen zijn door J.D. niet nagekomen en de bank heeft toen de overeenkomst beëindigd en J.D. gedagvaard met een vordering tot betaling. J.D. voert hier aan dat de bank rente gedurende de gehele looptijd van de kredietovereenkomst heeft berekend over de hoofdsom en over de niet-rentekosten van het krediet. Volgens J.D. mocht de bank niet de rente in rekening brengen over het commissieloon, maar alleen over het uitgekeerde kredietbedrag.

Overweging:

De verwijzende rechter stelt dat het een gevestigde praktijk is dat Poolse rechterlijke instanties geen bezwaar maken tegen bedingen in consumentenkredietovereenkomsten die de consument verplichten tot het betalen van kapitaalrente die wordt berekend als rente over zowel het aan de consument uitgekeerde kredietbedrag als de niet-rentekosten van het krediet. Hij twijfelt of deze gang van zaken verenigbaar is met onder andere het nuttige effect van het Unierecht, op grond van de doelen van richtlijn 2008/48. Tevens twijfelt hij of de verstrekte informatie aan J.D. over het rentepercentage in overeenstemming was met de doelen van de richtlijn.

Prejudiciële vragen:

1 Moet artikel 10, lid 2, onder f), gelezen in samenhang met artikel 3, onder j), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66), in de context van het beginsel van de doeltreffendheid van het Unierecht en van het doel van deze richtlijn en in het licht van artikel 3, leden 1 en 2, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een praktijk om in consumentenkredietovereenkomsten waarover tussen de verkoper (kredietverstrekker) en de consument (kredietnemer) niet afzonderlijk is onderhandeld bedingen op te nemen die erin voorzien dat niet alleen rente in rekening wordt gebracht over het bedrag dat aan de consument wordt uitgekeerd maar ook over de niet-rentekosten van het krediet (dat wil zeggen het door de consument verschuldigde commissieloon of andere vergoedingen, die geen deel uitmaken van het aan de consument uitgekeerde kredietbedrag maar wel van het totale bedrag dat hij uit hoofde van zijn verbintenis uit de consumentenkredietovereenkomst moet betalen)?

2 Moet artikel 10, lid 2, onder f) en g), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66), in de context van het beginsel van de doeltreffendheid van het Unierecht en van het doel van deze richtlijn en in het licht van artikel 5 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 1) aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de praktijk om in consumentenkredietovereenkomsten waarover tussen de verkoper (kredietverstrekker) en de consument (kredietnemer) niet afzonderlijk is onderhandeld bedingen op te nemen waarin uitsluitend het rentepercentage van het krediet wordt aangegeven en de in cijfers uitgedrukte totale gekapitaliseerde rente die door de consument moet worden betaald uit hoofde van zijn verplichting in het kader van de overeenkomst, zonder dat de consument er tegelijkertijd uitdrukkelijk van in kennis wordt gesteld dat de grondslag voor de berekening van die (in cijfers uitgedrukte) gekapitaliseerde rente een ander bedrag is dan het daadwerkelijk aan hem uitgekeerde bedrag, namelijk de som van het uitgekeerde kredietbedrag en de niet-rentekosten van het krediet (dat wil zeggen het door de consument verschuldigde commissieloon of andere vergoedingen, die geen deel uitmaken van het aan de consument uitgekeerde kredietbedrag maar wel van het totale bedrag dat hij uit hoofde van zijn verbintenis uit de consumentenkredietovereenkomst moet betalen)?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-377/14; C-331/18; C-212/20 A. S.A.

Specifiek beleidsterrein: EZK; JenV