C-088/13 Gruslin

Contentverzamelaar

C-088/13 Gruslin
Prejudiciële Hofzaak C-088/13 Gruslin

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:  8 april 2013
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:  25 april 2013
Schriftelijke opmerkingen:                  25 mei 2013
Trefwoorden: beleggingsfondsen (icbe’s – prospectusRL)

Onderwerp: Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s)

In januari 1996 investeert verzoeker Philippe Gruslin in het beleggingsfonds Citiportfolios dat is ondergebracht bij Citibank Luxembourg. In september van hetzelfde jaar beëindigt deze bank de rekening- en zakenrelaties met Gruslin. Zijn rekeningen worden opgezegd en hij wordt om instructies gevraagd wat te doen met zijn deelneming in het beleggingsfonds (en wat ze doen als Gruslin niet reageert). Aangezien het laatste het geval is worden de rechten van deelneming van verzoeker op 14 oktober 1996 ingeschreven in het register van deelbewijzen van het fonds. In december 1996 vraagt verzoeker bij verweerster, Citibank Belgium, alsnog om afgifte van zijn deelnemings-bewijzen, maar deze bank heeft de stukken niet in depot en stuurt het verzoek dan ook ter behandeling door naar Luxemburg.
Verzoeker is het daar blijkbaar niet mee eens. Wanneer de rechtzaak is begonnen is niet duidelijk. De cassatiezaak is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep van Brussel van januari 2011. Verzoeker vraagt veroordeling van verweerster tot afgifte van de in het prospectus van het beleggingsfonds Citiportfolios vermelde deelbewijzen waaruit zijn eigendomsrechten blijken, en eist daarnaast forse bedragen aan schadevergoeding (vertragingsrente).
In het arrest van januari 2006, inmiddels in kracht van gewijsde, heeft de rechter geoordeeld dat de bank geen niet-contractuele fout heeft begaan en dat er geen sprake is dat verzoeker medecontractant is van verweerster. Verzoeker kan bij verweerster dus niet de afgifte van de bewijzen van deelneming afdwingen.
Verzoeker meent echter dat dit, rekening houdend met EU-recht, wel mogelijk is.
In het arrest van januari 2011 heeft de rechter geoordeeld dat het begrip ‘uitkering’ moet worden opgevat als ‘uitkering aan de deelnemers’ en niet zoals verzoeker betoogt, als afgifte van de deelbewijzen. In cassatie is dit dan ook het (voornaamste) strijdpunt.

De verwijzende BEL rechter (Hof van Cassatie) stelt de volgende vraag aan het HvJEU:
“Moet artikel 45 van richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) aldus worden uitgelegd dat het begrip „uitkeringen aan de deelnemers” ook op de afgifte aan de deelnemers van deelbewijzen op naam ziet?”

Specifiek beleidsterrein: FIN

Gerelateerde documenten