C-104/22 Lannen MCE 

Contentverzamelaar

C-104/22 Lannen MCE 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    12 april 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    29 mei 2022

Trefwoorden : Uniemerk, rechterlijke bevoegdheid, reclame, marketingactiviteiten

Onderwerp :

Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk

Feiten:

Lännen MCE Oy is gevestigd in Finland en is houder van het Uniemerk WATERMASTER. Verwerende vennootschappen Berky en Senwatec maken deel uit van dezelfde groep. Hoewel het bij de twee ondernemingen gaat om verschillende vermeende inbreuken, worden de daarop betrekking hebbende vorderingen in dezelfde procedure behandeld. Wat Senwatec betreft, berust het verwijt van een inbreuk op het Uniemerk WATERMASTER op reclame die in augustus 2016 verscheen als zoekresultaat van een op de website Google.fi uitgevoerde zoekopdracht met de zoekterm „watermaster”. Wat Berky betreft, berust het door Lännen MCE Oy gemaakte verwijt van een inbreuk op het Uniemerk WATERMASTER op het feit dat op het fotodeelplatform Flickr.com in de jaren 2005 tot en met 2019 een door het trefwoord „watermaster” gevormde zogeheten metatag was gebruikt voor foto’s van verschillende machines van Berky. Verzoekster, Lännen MCE Oy, heeft aangevoerd dat de gestelde inbreuken hebben plaatsgevonden in Finland en dat bijgevolg de markkinaoikeus als rechtbank voor het Uniemerk krachtens artikel 125, lid 5, van de Uniemerkverordening bevoegd is ter zake van de rechtsvordering betreffende inbreuk. Lännen MCE Oy stelt dat het ging om marketingactiviteiten van verweersters op internet, die betrekking hadden op het grondgebied van Finland en zichtbaar waren voor Finse consumenten en handelaren. Verweersters, Berky en Senwatec, betwisten in hun verweerschrift dat de markkinaoikeus in dit geding internationaal bevoegd is. Volgens hen hebben de gestelde inbreuken niet plaatsgevonden in Finland. Om die reden hebben zij primair gevorderd dat de markkinaoikeus de vordering niet-ontvankelijk verklaart.

Overweging:

In het licht van de rechtspraak van het Hof dient bij de beantwoording van de vraag in welke lidstaat de consumenten of handelaren zich bevinden tot wie de op een website langs elektronische weg weergegeven reclame of verkoopaanbieding gericht is, met name rekening te worden gehouden met de informatie die wordt verstrekt over de geografische leveringsgebieden. Uit de rechtspraak kan worden afgeleid dat bij het onderzoek, behalve met de informatie die wordt verstrekt over de geografische leveringsgebieden, rekening kan worden gehouden met andere omstandigheden. Het is echter onduidelijk of de aard van de waren waarop de advertentie betrekking heeft, in aanmerking kan worden genomen bij de beantwoording van de vraag in welke lidstaat de consumenten of handelaren zich bevinden tot wie een advertentie of verkoopaanbieding gericht was, en dus in welke lidstaat de gestelde inbreuk in de zin van artikel 125, lid 5, van de Uniemerkverordening heeft plaatsgevonden. Wanneer de advertentie wordt geacht betrekking te hebben op de gehele wereld en bijgevolg ook op het volledige grondgebied van de Europese Unie, is het onduidelijk of de advertentie geacht kan worden te zijn gericht op een afzonderlijke lidstaat. Verder twijfelt de verwijzende rechter of bij het bepalen van de bevoegde rechterlijke instantie in de zin van artikel 125, lid 5, van de Uniemerkverordening betekenis kan toekomen aan het antwoord op de vraag van welke lidstaat het topleveldomein is van de website van de zoekmachine waarop de reclame beschikbaar is. Daarnaast is het onduidelijk of van reclame die langs elektronische weg wordt weergegeven door de in lidstaat X gevestigde onderneming A, kan worden aangenomen dat zij gericht is tot consumenten en handelaren in lidstaat Y, wanneer A een aan een Uniemerk identiek teken gebruikt in reclame of als trefwoord op de website van een zoekmachine die via het topleveldomein van lidstaat Y opereert. Voor zover bovengenoemde omstandigheden in casu van belang zijn, is het onduidelijk of de rechtbanken voor het Uniemerk van lidstaat Y alleen al op grond van die omstandigheden bevoegd zijn om van de vordering betreffende inbreuk kennis te nemen, dan wel of nog andere voorwaarden moeten zijn vervuld opdat die rechtbanken bevoegd zijn.

Prejudiciële vragen:

Wanneer onderneming A gevestigd is in lidstaat X, waar zij haar zetel heeft, en zij een aan een Uniemerk van onderneming B identiek teken gebruikt in reclame of als trefwoord op een website,

1. kan van de reclame dan worden aangenomen dat zij gericht is tot consumenten of handelaren in lidstaat Y, waar onderneming B haar zetel heeft, en is de rechtbank voor het Uniemerk in lidstaat Y dan overeenkomstig artikel 125, lid 5, van de Uniemerkverordening bevoegd om kennis te nemen van een vordering wegens inbreuk op een Uniemerk, wanneer in de langs elektronische weg weergegeven reclame of op een daaraan gekoppelde website van de adverteerder het geografische leveringsgebied van de waren niet of althans niet uitdrukkelijk wordt gepreciseerd dan wel geen enkele lidstaat uitdrukkelijk van het leveringsgebied wordt uitgesloten? Kan in dat geval rekening worden gehouden met de aard van de waren waarop de reclame betrekking heeft, alsook met het feit dat het afzetgebied van de producten van onderneming A beweerdelijk de hele wereld omvat en dus ook het volledige grondgebied van de Europese Unie, waaronder lidstaat Y?

2. kan van de bovengenoemde reclame dan worden aangenomen dat zij gericht is tot consumenten of handelaren in lidstaat Y, wanneer de reclame wordt getoond op de website van een zoekmachine die opereert via het topleveldomein van lidstaat Y?

3. welke andere omstandigheden moeten in geval van een bevestigende beantwoording van de eerste of de tweede vraag dan eventueel in aanmerking worden genomen om te bepalen of de reclame gericht is tot consumenten of handelaren in lidstaat Y? [or. 13]

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-172/18), (C-324/09), (C-523/10),

Specifiek beleidsterrein: JenV, EZK