C-108/20 Finanzamt Wilmersdorf

Contentverzamelaar

Terug C-108/20 Finanzamt Wilmersdorf

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     29 april 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     15 juni 2020

Trefwoorden : btw-fraude, voorbelasting, toeleveringsketen

Onderwerp :

Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw-richtlijn)

 

Feiten:

In de litigieuze jaren 2009 en 2010 exploiteerde verzoekster, HR,  – met medewerking van haar echtgenoot – een drankengroothandel. In haar btw-aangiften voor de betrokken jaren vorderde zij onder meer aftrek van voorbelasting voor facturen van de onderneming P GmbH. Volgens twee strafvonnissen heeft P GmbH zich bij de aankoop van de aan verzoekster geleverde dranken herhaaldelijk schuldig gemaakt aan btw-fraude. Blijkens de bevindingen van de strafrechter liggen de volgende feiten ten grondslag aan deze vonnissen: De echtgenoot van verzoekster leverde als verantwoordelijke vennoot op grote schaal gedistilleerde dranken, koffie en Red Bull aan P GmbH. Voor die leveringen werden geen facturen opgemaakt. In plaats daarvan maakte een medewerker van P GmbH schijnfacturen op voor de aangekochte goederen. Verzoekster is van opvatting dat het recht op aftrek van voorbelasting over leveringen van P GmbH in een eerder stadium in het litigieuze geval ten onrechte is geweigerd. Zij heeft van haar kant voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor het recht op btw-aftrek. Verweerder, het Finanzamt Wildersdorf,  is daarentegen van mening dat verzoekster op grond van de betrokkenheid van haar echtgenoot en de ongewone handelwijzen had moeten realiseren dat zij met haar onderneming deel uitmaakte van een toeleveringsketen in het kader waarvan btw-fraude werd gepleegd. Volgens de rechtspraak van het Hof mag in een dergelijk geval het recht op aftrek van voorbelasting worden geweigerd.

 

Overweging:

In het hoofdgeding is voor de beslechting ervan relevant of verzoekster het recht op aftrek van voorbelasting over de door P GmbH in een eerder stadium geleverde goederen moet worden geweigerd, aangezien zij op de hoogte had moeten zijn van de in een eerder stadium van de toeleveringsketen gepleegde btw-fraude. Aan de feitelijke voorwaarden voor het recht op aftrek van voorbelasting voor de op de facturen van P GmbH in rekening gebrachte omzetbelasting is voldaan. De vraag is alleen of het gerechtvaardigd is het recht op btw-aftrek te weigeren op grond van het feit dat verzoekster op de hoogte had moeten zijn van de door P GmbH, en dus in een eerder stadium van de toeleveringsketen, gepleegde btw-fraude. Naar nationaal recht is voor de beslechting van het geding derhalve doorslaggevend of het feit dat verzoekster op de hoogte had moeten zijn van de door P GmbH gepleegde btw-fraude, tot gevolg heeft dat niet alleen P GmbH het recht op btw-aftrek wordt geweigerd, maar ook dat die weigering zich uitstrekt tot de daarop volgende transacties tussen P GmbH en verzoekster. De sleutel vormt in dit verband de uitlegging van het begrip „toeleveringsketen”. Indien de transacties tussen P GmbH en verzoekster samen met de frauduleuze aankoop van de dranken door P GmbH in een eerder stadium moeten worden beschouwd als deel van een gezamenlijke toeleveringsketen, dan is in casu het recht op btw-aftrek terecht geweigerd. De verwijzende rechter koestert twijfels omtrent de Unierechtelijke uitlegging van het begrip „toeleveringsketen” en vraagt zich af of de handelsbetrekkingen in het hoofdgeding als zodanig kunnen worden aangemerkt.

 

Prejudiciële vraag:

Dienen artikel 167 en artikel 168, onder a), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde – de btw-richtlijn – aldus te worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de bepalingen ervan op nationaal niveau aldus worden toegepast dat het recht op aftrek van voorbelasting ook dan wordt geweigerd wanneer in een eerder stadium van de toeleveringsketen belastingfraude is gepleegd en de belastingplichtige hiervan op de hoogte was of had moeten zijn, maar noch aan de btw-fraude heeft deelgenomen noch daarbij was betrokken en evenmin de gepleegde btw-fraude heeft bevorderd of vergemakkelijkt? [or. 2]

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-624/15), (C-277/14), FIRIN (C-107/13), (C-78/12), (C-642/11), LVK-56 (C-643/11), (C-285/11), (C-80/11 en C-142/11), Italmoda (C-131/13, C-163/13 en C-164/13), Unitel (C-653/18), Cartrans Spedition (C-495/17), (C-275/18), (C-528/17), Paper Consult (C-101/16), Euro Tyre (C-21/16), Kapnoviomichania Karelia (C-81/15), (C-273/18), Transport Service (C-395/02), Optigen (C-355/03 en C-484/03), (C-188/09), Téleos (C-409/04),

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal