C-118/22 Direktor na Glavna direktsia Natsionalna politsia pri MVR - Sofia  

Contentverzamelaar

C-118/22 Direktor na Glavna direktsia Natsionalna politsia pri MVR - Sofia  

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    12 april 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    29 mei 2022

Trefwoorden : persoonsgegevens, politieregistratie, wissen van gegevens

Onderwerp :

Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.

Feiten:

Op 15-07-2020 heeft NG uit Sofia de districtspolitie in Kazanlak verzocht om wissing van gegevens die waren opgeslagen in het kader van een in het register van het districtspolitiebureau neergelegd vooronderzoek. Op 02-09-2020 heeft de directeur van het directoraat-generaal Nationale Politie het bestreden besluit genomen tot weigering van het wissen van de geregistreerde gegevens. Als reden hiervoor werd opgegeven dat een onherroepelijke veroordeling niet behoort tot de limitatief opgesomde gronden voor het wissen van een politieregistratie. Op 08-10-2020 heeft NG bij de Administrativen sad Sofia-grad (bestuursrechter in eerste aanleg) beroep ingesteld tegen dit besluit. De rechter was van oordeel dat het bestreden besluit van de directeur juist en rechtmatig was en heeft het beroep van NG verworpen.  Hij ging ervan uit dat de registratie van de politie in wezen een soort verwerking van persoonsgegevens vormt, die overeenkomstig de ZMVR plaatsvindt zonder toestemming van de betrokkenen. Artikel 68, lid 6, ZMVR bevat een limitatieve opsomming van de gronden voor het wissen van een politieregistratie en in de procedure was geen enkel bewijs voor het bestaan van een van deze gronden aangevoerd. Het belangrijkste argument van verzoeker tot cassatie is dat de rechter in eerste aanleg ten onrechte heeft geoordeeld dat het bestreden besluit tot weigering van het wissen van de politieregistratie rechtmatig was, omdat die rechter eraan is voorbijgegaan dat de algemene strekking van de artikelen 5, 13 en 14 van richtlijn 2016/680 is dat er geen oneindige (onbepaalde) termijn kan gelden voor de verwerking van persoonsgegevens door middel van opslag. Verzoeker betoogt verder dat, bij gebreke van een rechtsgrondslag voor het wissen van de politieregistratie nadat rehabilitatie heeft plaatsgevonden, een veroordeelde in feite nooit zal kunnen verzoeken om wissing van zijn persoonsgegevens die door de bevoegde autoriteiten zijn verzameld in verband met een strafbaar feit dat hij heeft gepleegd, waarvoor de straf is ondergaan en rehabilitatie heeft plaatsgevonden, met als gevolg dat de opslag voor onbepaalde tijd is.

Overweging:

Het Unierecht, en met name richtlijn 2016/680, in overweging 26 waarvan wordt overwogen dat de verwerking van persoonsgegevens rechtmatig, behoorlijk en transparant dient te zijn, vereist waarborgen dat niet bovenmatig veel gegevens worden verzameld en dat die gegevens niet langer worden bewaard dan noodzakelijk is voor het doel waarvoor zij worden verwerkt. Ook is geregeld dat de verwerkingsverantwoordelijke termijnen voor het wissen van gegevens of voor een periodieke toetsing ervan dient vast te stellen. Deze beginselen worden weerspiegeld in specifieke bepalingen als artikel 5 van de richtlijn. Artikel 13, lid 2, verplicht de lidstaten ertoe bij wet de uitoefening van de rechten van de betrokkene te waarborgen door hen te informeren over de periode gedurende welke de persoonsgegevens zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, over de criteria om die termijn te bepalen; volgens artikel 13, lid 3, kunnen de lidstaten wettelijke maatregelen treffen om de verstrekking van de in artikel 13, lid 2, bedoelde informatie aan de betrokkene uit te stellen, te beperken of zelfs achterwege te laten, zij het alleen voor zover de grondrechten en de legitieme belangen van de betrokkene in acht worden genomen. De verwijzende rechter is van oordeel dat niet duidelijk is of de door de richtlijn nagestreefde doelstellingen wettelijke maatregelen van de lidstaten toestaan die leiden tot een nagenoeg onbeperkt recht op verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging ter zake van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en tot het tenietgaan van het recht van de betrokkene op beperking van de verwerking, wissing of vernietiging van de gegevens.

Prejudiciële vraag:

Staat de uitlegging van artikel 5, gelezen in samenhang met artikel 13, leden 2, onder b), en 3, van richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad, nationale wettelijke maatregelen toe die leiden tot een nagenoeg onbeperkt recht op verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, de opsporing of de tenuitvoerlegging van strafbare feiten en/of tot het tenietgaan van het recht van de betrokkene op beperking van de verwerking, op wissing of op vernietiging van zijn gegevens?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Inspektor v Inspektorata kam Visshia sadeben savet (C-180/21), Ministerstvo na vatreshnite raboti (C-205/21)

Specifiek beleidsterrein: JenV