C-124/20 Bank Melli Iran

Contentverzamelaar

C-124/20 Bank Melli Iran

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     7 mei 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     23 juni 2020

Trefwoorden : sancties, bescherming EU-operatoren, evenredigheidsbeginsel

Onderwerp :

Verordening (EG) nr. 2271/96 van de Raad van 22 november 1996 tot bescherming tegen de gevolgen van de extraterritoriale toepassing van rechtsregels uitgevaardigd door een derde land en daarop gebaseerde of daaruit voortvloeiende handelingen, zoals gewijzigd bij gedelegeerde verordening (EU) 2018/1100 van de Commissie van 6 juni 2018.

 

Feiten:

Verzoekster is een naar Iraans recht opgerichte Iraanse bank met een filiaal in Hamburg. Verweerster is een in Bonn gevestigde dochteronderneming van Deutsche Telekom AG. Partijen hebben een raamovereenkomst gesloten op grond waarvan verzoekster alle aansluitingen van haar onderneming in een overeenkomst mag bundelen. Dientengevolge is verzoekster voor haar interne en externe communicatiestructuren en handelsverkeer afhankelijk van de te verrichten diensten van verweerster. Na opzegging van het Iran-akkoord in 2018, is verzoekster op de sanctielijst van het OFAC (bureau voor de controle op buitenlandse tegoeden) geplaatst. Tot de sanctieregeling behoren de zogenoemde secundaire sancties die niet-Amerikaanse ingezetenen verbieden om zaken te doen met geliste Iraanse personen en ondernemingen. Naar aanleiding van nieuwe Amerikaanse sancties tegen Iran, werd de toegang van verzoekster tot het telecommunicatienetwerk van de Society for Worldwide Interbank Financial Telecommunication (SWIFT) per 12-11-2018 opgeschort. Bij brief van 16-11-2018 heeft verweerster alle overeenkomsten met verzoekster met onmiddellijke ingang opgezegd. In een kortgedingprocedure heeft de rechter verweerster gelast de lopende overeenkomsten uit te voeren tot aan het verstrijken van de gemeenrechtelijke opzegtermijn. Een maand later werd door verweerster opnieuw opzegging gegeven. Verzoekster heeft de rechter in eerste aanleg verzocht verweerster ertoe te veroordelen alle lijnen te laten functioneren waarop de overeenkomsten betrekking hadden. De rechter in eerste aanleg heeft verweerster veroordeeld tot uitvoering van de overeenkomsten tot aan het verstrijken van de desbetreffende gemeenrechtelijk opzegtermijn, maar acht de gewone opzegging door verweerster van de litigieuze overeenkomsten wel geldig. Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen het oordeel van deze beslissing bij de verwijzende rechter. Zij handhaaft haar standpunt dat de gewone opzegging door verweerster niet strookt met artikel 5 van verordening 2271/96.

 

Overweging:

Artikel 5 van verordening 2271/96 bevat een verbod voor EU-operatoren om gevolg te geven aan bepaalde rechtsregels uitgevaardigd door een derde land. Verzoekster stelt dat de opzegging van verweerster alleen is ingegeven door het feit dat zij door de Verenigde Staten opgelegde secundaire sancties niet wil overtreden. De hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Noordrijn-Westfalen heeft geoordeeld dat het verbod van artikel 5 van verordening 2271/96 indien de opzegging is ingegeven door secundaire sancties, beslist niet van toepassing is. De verwijzende rechter deelt dit standpunt niet en meent dat louter het bestaan van secundaire sancties volgens hem volstaat, omdat alleen zo het verbod van artikel 5 van verordening 2271/96 om zich aan die sancties te houden effectief kan worden toegepast. Het is de verwijzende rechter onduidelijk of dit artikel zich vervolgens verzet tegen een uitlegging van nationaal recht, volgens welke overeenkomsten met partijen zoals verzoekster kunnen worden opgezegd zonder dat zij daarvoor een reden hoeft op te geven. Indien het Hof deze vraag bevestigend beantwoordt, wilt de verwijzende rechter weten of een strijdige opzegging als nietig dient te worden beschouwd. Tot slot overweegt de verwijzende rechter dat het verbod om zich te houden aan secundaire sancties leidt tot een dilemma voor EU-operatoren, zoals verweerster, aan wie de verordening volgens haar overwegingen bescherming moet bieden. Indien zij het Unierecht eerbiedigen, dreigen zij te worden uitgesloten van de Amerikaanse markt, en indien zij zich houden aan de sancties, schenden zij het Unierecht. De verwijzende rechter betwijfelt of een algemeen verbod om zaken te doen met een handelspartner, dat is ingesteld om het gevaar van aanzienlijke economische verliezen op de Amerikaanse markt af te wenden, verenigbaar is met artikelen 16 (bescherming vrijheid van ondernemerschap) en 52 (evenredigheidsbeginsel) van het Handvest.

 

Prejudiciële vragen:

1) Is artikel 5, eerste alinea, van verordening nr. 2271/96 alleen van toepassing wanneer er door de Verenigde Staten van Amerika rechtstreeks of onrechtstreeks administratieve of rechterlijke instructies zijn gegeven aan de optredende EU-operator in de zin van artikel 11 van deze verordening, of volstaat het voor de toepassing van deze bepaling dat het optreden van de EU-operator ook zonder dergelijke instructies ertoe strekt secundaire sancties in acht te nemen?

2) Indien het Hof de eerste vraag beantwoordt in de zin van het tweede alternatief: verzet artikel 5, eerste alinea, van verordening nr. 2271/96 zich tegen een uitlegging van het nationale recht volgens welke de opzeggende partij ook elke duurovereenkomst kan opzeggen die zij is aangegaan met een wederpartij die door het Office of Foreign Assets Control (OFAC) (bureau voor de controle van buitenlandse tegoeden) van de Verenigde Staten van Amerika op de Specially Designated Nationals List (SDN) (lijst van speciaal aangewezen onderdanen) is geplaatst – en dus ook kan opzeggen om zich te houden aan sancties van de Verenigde Staten –, zonder dat zij daarvoor een reden hoeft op te geven en dus zonder dat zij in een civiele procedure hoeft uit te leggen en te bewijzen dat zij in geen geval heeft opgezegd om zich te houden aan sancties van de Verenigde Staten?

3) Indien het Hof de tweede vraag bevestigend beantwoordt: dient een met artikel 5, eerste alinea, van verordening nr. 2271/96 strijdige gewone opzegging als nietig te worden beschouwd of kan het doel van de verordening ook worden bereikt door andere sancties, bijvoorbeeld een geldboete, op te leggen?

4) Indien het Hof de derde vraag beantwoordt in de zin van het eerste alternatief: geldt dat, in het licht van de artikelen 16 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en gelet op de mogelijkheid om uitzonderingen toe te staan overeenkomstig artikel 5, tweede alinea, van verordening nr. 2271/96, ook wanneer de EU-operator, door zijn handelsbetrekking met de op de SDN-lijst geplaatste wederpartij in stand te houden, aanzienlijke economische verliezen op de Amerikaanse markt dreigt te lijden (in casu 50 procent van de concernomzet)?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK, BZ