C-126/20 ExxonMobil Production Deutschland

Contentverzamelaar

C-126/20 ExxonMobil Production Deutschland

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     12 mei 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     28 juni 2020

Trefwoorden : emissierechten, procesemissiesbenchmark, CO2, derde handelsperiode

Onderwerp :

•          Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad

•          Besluit 2011/278/EU van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad

•          Besluit (EU) 2015/1814 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2015 betreffende de instelling en de werking van een marktstabiliteitsreserve voor de EU-regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en tot wijziging van richtlijn 2003/87/EG

•          Guidance Document nº8 on the harmonized free allocation methodology for the EU-ETS post 2012 Waste gases and process emissions sub-installation

 

Feiten:

Verzoekster, die ook verzoekster was in zaak C-682/17, exploiteert in Großenkneten een installatie voor aardgasverwerking waarin zwavel wordt gewonnen. De installatie voor zwavelwinning maakt gebruik van het zogenoemde clausproces. De verzoekende installatie dient voor de verwerking van aardgas dat wordt gedolven uit natuurlijke lagen (ruw gas). In verzoeksters aardgasverwerkingsinstallatie worden de zwavelcomponenten en de kooldioxide uit het gedolven aardgas verwijderd en wordt elementaire zwavel gewonnen. Vanwege de hoge concentratie aan waterstofsulfide wordt dit gas ook wel aangeduid als zuur gas. Bij besluit van 17-02-2014 heeft de Duitse emissieautoriteit (DEHSt) voor de toewijzingsperiode 2013-2000 (derde handelsperiode) in totaal 4 216 048 emissierechten kosteloos toegewezen aan verzoekster. De toewijzing geschiedde deels op basis van de toepassing van warmte-emissiewaarde en deels op basis van brandstofemissiewaarde. De door verzoekster tevens gevraagde toewijzing voor procesemissies is afgewezen. Verzoekster meent dat zij aanspraak maakt op kosteloze toewijzing voor een toewijzingscomponent met procesemissies overeenkomstig § 2, punt 29, onder b) ee), ZuV 2020 respectievelijk artikel 3, onder h) v), van besluit 2011/278. Volgens verzoekster zijn de litigieuze CO2-emissies het gevolg van het gebruik van een koolstofhoudende grondstof. Het ten behoeve van de zwavelwinning benutte zure gas wordt in onderaardse natuurlijke velden gedolven en bevat een mengsel van waterstofsulfide, waterdamp, methaan en kooldioxide. Kooldioxide bevat koolstof. Anders dan verweerster meent, kan de kooldioxide volgens verzoekster niet slechts als geassocieerd gas worden aangemerkt.

 

Overweging:

De verwijzende rechter wijst erop dat, anders dan het geval was in zaak C-682/17, waarin het Hof reeds uitspraak heeft gedaan, in casu de bij de fabriek behorende energiecentrale van verzoekster pas in 2014 is aangesloten op het net en voor het eerst  na het begin van de derde handelsperiode en na de vaststelling van het toewijzingsbesluit  stroom heeft geleverd aan het openbare net. De vragen 1 tot en met 3, of, en zo ja, volgens welke emissiewaarde voor het zogenoemde clausproces in de litigieuze installatie een recht bestaat op kosteloze toewijzing van emissierechten, zijn van invloed op de totale hoogte van verzoeksters recht op toewijzing. Vraag 4 is gebaseerd op de overwegingen van het Hof in zijn arrest Borealis e.a. Onder voorbehoud van het antwoord op de vragen 1 tot en met 3, is het in de onderhavige situatie denkbaar dat de emissies die vrijkomen uit het zogenoemde clausproces voldoen aan zowel de definitie van warmtebenchmark als de definitie van procesemissiesbenchmark. De grens tussen warmtebenchmark en brandstofbenchmark is vanwege het onderscheid tussen meetbare en niet-meetbare warmte duidelijk. Volgens de verwijzende rechter moet de verhouding tussen een toewijzing volgens de warmtebenchmark en een toewijzing volgens de procesemissiesbenchmark echter worden verduidelijkt. Wanneer bij het zogenoemde clausproces een grondstof in de zin van artikel 3, onder h) v), van besluit 2011/278 wordt gebruikt, dan komt voor de bij het exotherme clausproces vrijkomende warmte immers zowel een toewijzing op basis van de warmtebenchmark overeenkomstig artikel 3, onder c), als een toewijzing op basis van de benchmark voor procesemissies overeenkomstig artikel 3, onder h) v), van besluit 2011/278 in aanmerking. Ten slotte verzoekt de verwijzende rechter het Hof om de vraag wat de gevolgen zijn van het einde van de derde handelsperiode voor de op dat tijdstip nog niet vervulde toewijzingsaanspraken ook te verduidelijken, omdat het hierbij gaat om een fundamentele vraag die speelt in alle in de Unie aanhangige rechtsgedingen over extra toewijzing van emissierechten en die, met het oog op de rechtszekerheid en de uniforme toepassing van het Europese recht inzake de handel in emissierechten, dringend moet worden opgehelderd.

 

Prejudiciële vragen:

1) Gaat het bij CO2 dat in het kader van de verwerking van aardgas (in de vorm van zuur gas) door middel van het zogenoemde clausproces vrijkomt in de atmosfeer als gevolg van de afvanging van de in het aardgas aanwezige CO2, om emissies die, in de zin van artikel 3, onder h), eerste zin, van besluit 2011/278, het gevolg zijn van het in artikel 3, onder h), v), genoemde proces?

2) Kunnen CO2-emissies het „gevolg” zijn van een proces in de zin van artikel 3, onder h), eerste zin, van besluit 2011/278, indien in dit proces de aan de grondstof inherente CO2 in de atmosfeer wordt uitgestoten, zonder dat door het proces zelf aanvullende CO2 ontstaat, of vereist deze bepaling dat de in de atmosfeer vrijkomende CO2 voor het eerst ontstaat als resultaat van het proces?

3) Wordt een koolstofhoudende grondstof „gebruikt” in de zin van artikel 3, onder h) v), van besluit 2011/278, indien bij het zogenoemde clausproces het natuurlijk aanwezige aardgas wordt ingezet voor de productie van zwavel en hierbij de aan het aardgas inherente CO2 vrijkomt in de atmosfeer, zonder dat deze CO2 deelneemt aan de tijdens het proces plaatsvindende chemische reactie, of vereist het begrip „gebruik” dat de koolstof deelneemt aan de chemische reactie of hiervoor zelfs noodzakelijk is?

4) Indien de vragen 1 tot en met 3 bevestigend worden beantwoord:

Indien een onder de regeling voor handel in emissierechten vallende installatie zowel aan de voorwaarden voor het bestaan van een warmtebenchmarksubinstallatie als aan de voorwaarden voor het bestaan van een procesemissiessubinstallatie voldoet, volgens welke benchmark moeten dan emissierechten kosteloos worden toegewezen? Gaat een recht op toewijzing op basis van warmtebenchmark vóór op de aanspraak voor procesemissies of gaat op grond van specialiteit het recht op toewijzing voor procesemissies vóór op de warmtebenchmark en de brandstofbenchmark?

5) Indien de vragen 1 tot en met 4 bevestigend worden beantwoord: Kunnen aanspraken op extra toewijzing van kosteloze emissierechten voor de derde handelsperiode na afloop van die periode worden gehonoreerd met emissierechten uit de vierde handelsperiode wanneer het bestaan van zulke aanspraken pas na afloop van de derde handelsperiode bij rechterlijke uitspraak wordt vastgesteld, of vervallen nog niet gehonoreerde toewijzingsaanspraken aan het einde van de derde handelsperiode?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Borealis e.a. (C-180/15), ExxonMobil Production Deutschland (C-682/17)

Specifiek beleidsterrein: EZK