C-133/21

Contentverzamelaar

Terug C-133/21

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     9 juni 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     26 juli 2021

Trefwoorden : arbeidsrecht; gelijke behandeling

Onderwerp :

Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd;

Feiten:

Verzoekers zijn door de Griekse staat op verschillende momenten tussen 2001 en 2008 aangesteld. Sindsdien zijn zij tewerkgesteld als schoonmakers op scholen, eerst met opeenvolgende arbeidsovereenkomsten en vanaf december 2006/januari 2007 met privaatrechtelijke arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd. In 2005 heeft de centrale raad voor de dienst niet-onderwijzend personeel van het ministerie van Onderwijs en godsdiensten (YEPTh) van 2005 en vervolgens de hoogste raad voor de selectie van personeel (ASEP), op verzoek van de betrokkenen vastgesteld dat zij voldeden aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 11 van presidentieel besluit 164/2004. Hiermee heeft verweerder hen bij besluiten van het YPETh in 2006 en 2007 aangesteld op vaste arbeidsplaatsen. Op grond hiervan dienden verzoekers op 10-06-2010 een vordering in bij de rechter in eerste aanleg tot vaststelling dat verweerder gehouden is hun de bedragen te betalen die overeenkomen met het verschil tussen de bezoldiging die zij van 2001 t/m 2008 hadden ontvangen en de bezoldiging die in de wettelijke regeling is voorzien voor de bij verweerder werkzame werknemers met vergelijkbare kwalificaties, met inachtneming van de periode gedurende welke zij werden tewerkgesteld uit hoofde van overeenkomsten die werden aangemerkt als overeenkomst tot het inhuren van werk. De vordering werd verworpen waarop verzoekers in hoger beroep gingen bij de verwijzende rechter die de vordering gedeeltelijk gegrond verklaarde. Zowel de Griekse Staat als verzoekers stelden cassatieberoep in bij de hoogste rechter die de uitspraak vernietigde voor zover de bedragen waren die betrekking hadden op de periode waarin verzoekers nog niet waren aangesteld in vaste functies, en verwees de zaak voor verdere afdoening terug naar de verwijzende rechter.

Overweging:

In casu is bewezen dat verzoekers werkten als ondergeschikten, dat wil zeggen dat zij de aanwijzingen moesten opvolgen van hun werkgever (de Griekse staat), die bepaalde op welke plaats, tijd en wijze zij hun arbeid moesten verrichten. Hieruit volgt dat de arbeidsverhouding van verzoekers in werkelijkheid niet die van het verrichten van werk of diensten was, maar die van arbeid in loondienst, en dat zij derhalve onder de definitie van „werknemer” in [clausule 3, punt 1] van de raamovereenkomst vielen. Derhalve doet de discriminerende behandeling op het vlak van de door verzoekers ontvangen bezoldiging – dat wil zeggen dat zij niet de bezoldiging ontvingen die in de wet was voorzien voor overheidswerknemers in vaste dienst met privaatrechtelijke overeenkomsten voor onbepaalde tijd – bij het ontbreken van een objectieve reden die deze discriminatie rechtvaardigt, de vraag rijzen naar de toepasselijkheid van clausule 4 van de raamovereenkomst.

Prejudiciële vragen:

- Is een nationale regeling als de onderhavige, die werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd als bedoeld in clausule 1 van richtlijn 1999/70/EG op het vlak van hun bezoldiging ongunstiger behandelt dan de vergelijkbare werknemers in vaste dienst louter op grond van het criterium dat hun overeenkomst door de werkgever of de wet wordt aangemerkt als overeenkomst voor bepaalde tijd voor het verrichten van werk, verenigbaar met clausule 4 van richtlijn 1999/70/EG?

– Is in bijzonder een nationale regeling die de ongelijke behandeling van werknemers op het vlak van beloning rechtvaardigt met het feit dat de betrokken werknemers hun arbeid uit hoofde van een overeenkomst voor bepaalde tijd verrichtten in de wetenschap dat daarmee werd voorzien in permanente en blijvende behoeften van de werkgever, verenigbaar met clausule 4 van richtlijn 1999/70/EG ?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-268/06; C-307/05

Specifiek beleidsterrein: SZW