C-18/21 Uniqa Versicherungen  

Contentverzamelaar

C-18/21 Uniqa Versicherungen  

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     8 maart 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     22 april 2021

Trefwoorden : termijnen; procesrecht; betalingsbevel

Onderwerp :

Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure

Feiten:

De Oostenrijkse rechter in eerste aanleg heeft op 06-03-2020 een Europees betalingsbevel uitgevaardigd. Dit bevel is op 04-04-2020 aan de in Duitsland gevestigde verweerder is betekend. Verweerder heeft hiertegen verweer gevoerd door middel van een verweerschrift dat hij op 18-05-2020 per post heeft verzonden. De rechter in eerste aanleg heeft het verweer afgewezen, omdat het verweerschrift niet binnen de in artikel 16(2) van verordening 1896/2006 vastgestelde termijn van 30 dagen, en dus te laat, was ingediend. Deze beslissing is door de rechter in tweede aanleg vernietigd. De termijn voor het indienen van het verweerschrift volgens artikel 16(2) van verordening 1896/2006 was gestuit overeenkomstig §1(1) van de Oostenrijkse federale wet inzake begeleidende maatregelen voor de rechtspleging in verband met COVID-19. Op grond van deze bepaling worden alle procedurele termijnen in gerechtelijke procedures die op 22-03-2020 of later zijn ingegaan gestuit tot het einde van 30-04-2020 en beginnen deze op 01-05-2020 opnieuw te lopen. Het beroep in Revision dat verzoekster tegen deze beslissing heeft ingesteld strekt tot herstel van de beslissing van de rechter van eerste aanleg. De verwijzende rechter beslist de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een beslissing over een vraag betreffende de uitlegging van verordening 1896/2006, die voor de beslechting van het geding noodzakelijk wordt geacht.

Overweging:

In de Oostenrijkse rechtsleer zijn de meningen verdeeld over de vraag of de in §1(1) van de eerste COVID-19-wet neergelegde stuiting van alle procedurele termijnen in civiele procedures ook van toepassing is op de in artikel 16(2) van verordening 1896/2006 op 30 dagen gestelde termijn voor het indienen van het verweerschrift tegen een Europees betalingsbevel, of dat §1(1) van de eerste COVID-19-wet als nationale bepaling op grond van artikel 20 van verordening 1896/2006 ten aanzien van deze termijn niet toepasselijk is. Aangezien de bewoordingen van de artikelen 20 en 26 van verordening 1896/2006 geen duidelijk en ondubbelzinnig antwoord bieden, moet deze rechtsvraag ter verduidelijking worden voorgelegd aan het Hof.

Prejudiciële vraag:

Moeten de artikelen 20 en 26 van verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure aldus worden uitgelegd dat deze bepalingen zich ertegen verzetten dat de in artikel 16, lid 2, van deze verordening gestelde termijn van 30 dagen voor het indienen van een verweerschrift tegen een Europees betalingsbevel wordt gestuit door § 1, lid 1, van het Oostenrijkse Bundesgesetz betreffend Begleitmaßnahmen zu COVID-19 in der Justiz (federale wet betreffende begeleidende maatregelen voor de rechtspleging in verband met COVID-19), volgens welke in procedures in burgerlijke zaken alle procedurele termijnen waarvan de gebeurtenis die de termijn doet ingaan zich voordoet na 21 maart 2020 of die op die datum nog niet zijn verstreken, worden gestuit tot het einde van 30 april 2020 en op 1 mei 2020 opnieuw beginnen te lopen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: JenV;