C-183/22 Saint-Louis Sucre

Contentverzamelaar

C-183/22 Saint-Louis Sucre

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    29 april 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    15 juni 2022

Trefwoorden : landbouwproducten, producentenorganisatie, onderneming

Onderwerp :

Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten

Feiten:

de onderneming Saint-Louis Sucre verzoekt de Franse hoogste bestuursrechter primair, om het besluit van 20-12-2019 tot erkenning van de société d’intérêt collectif agricole (SICA) des betteraviers d’Étrépagny (agrarisch samenwerkingsverband van de bietentelers van Étrépagny) als producentenorganisatie in de sector suiker voor suikerbieten, nietig te verklaren wegens bevoegdheidsoverschrijding.

Overweging:

Artikel 153 van verordening 1308/2013 stelt “op grond van de statuten van een producentenorganisatie zijn de aangesloten producenten met name verplicht:b) zich per geproduceerd product slechts bij een enkele producentenorganisatie aan te sluiten’’. De verzoekende onderneming betoogt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met deze bepaling, aangezien de CGB (Algemeen verbond van bietentelers), de CGB Île-de- France en de onderneming Naples Investissement, die geen producenten zijn, lid zijn van zowel de SICA d’Étrépagny als de SICA Roye-Déshydratation, die eveneens als producentenorganisatie is erkend. Het antwoord op dit middel hangt ervan af of de in artikel 153, lid 1, onder b), van verordening 1308/2013 geformuleerde regel dat de leden van een producentenorganisatie verplicht zijn om zich per geproduceerd product slechts bij een enkele producentenorganisatie aan te sluiten, aldus moet worden uitgelegd dat hij uitsluitend geldt voor aangesloten leden, dan wel geldt voor alle leden van een organisatie, met inbegrip van die welke geen producent zijn. Verder bepaalt artikel 153, lid 2, onder c), van verordening 1308/2013 dat de statuten van een producentenorganisatie ook voorzien in „voorschriften op grond waarvan de aangesloten producenten op democratische wijze toezicht kunnen uitoefenen op hun organisatie en haar besluiten.” De verzoekende onderneming voert aan dat het bestreden besluit de SICA des betteraviers d’Étrépagny niet kon erkennen als producentenorganisatie, omdat deze SICA, gelet op het toezicht dat de Confédération générale des planteurs de betteraves (CGB) direct of indirect uitoefent, niet voldoet aan het vereiste dat de bij een producentenorganisatie aangesloten producenten op democratische wijze toezicht uitoefenen op hun organisatie en haar besluiten. Het antwoord op het dienaangaande door de verzoekende onderneming gemaakte bezwaar hangt ervan af of ter verzekering van de naleving van het beginsel van artikel 153, lid 2, onder c), van verordening 1308/2013, volgens hetwelk de bij een producentenorganisatie aangesloten producenten op democratische wijze toezicht moeten uitoefenen op hun organisatie en haar besluiten, bij de beoordeling van de onafhankelijkheid van elk lid van de organisatie uitsluitend ermee rekening moet worden gehouden dat hun kapitaal in handen is van een en dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon, dan wel of ook andere banden in aanmerking moeten worden genomen.

Prejudiciële vragen:

1°) Moet de in artikel 153, lid 1, onder b), van verordening (EU) nr. 1308/2013 van 17 december 2013 geformuleerde regel dat de bij een producentenorganisatie aangesloten producenten op grond van de statuten van die organisatie verplicht zijn „zich per geproduceerd product slechts bij een enkele producentenorganisatie aan te sluiten”, aldus worden uitgelegd dat hij uitsluitend geldt voor de aangesloten producenten?

2°) Om de naleving te verzekeren van het in artikel 153, lid 2, onder c), van verordening (EU) nr. 1308/2013 opgenomen beginsel dat de bij een producentenorganisatie aangesloten producenten op democratische wijze toezicht moeten uitoefenen op hun organisatie en haar besluiten:

– moet bij de beoordeling van de onafhankelijkheid van elk lid van de organisatie uitsluitend ermee rekening worden gehouden dat hun kapitaal in handen is van een en dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon, of moeten ook andere banden in aanmerking worden genomen, zoals, voor leden die geen producent zijn, de omstandigheid dat zij lid zijn van dezelfde beroepsvereniging, of, voor aangesloten producenten, de omstandigheid dat zij leidinggevende verantwoordelijkheden in een dergelijke vereniging hebben?

– volstaat het feit dat de bij een producentenorganisatie aangesloten producenten over de meerderheid van de stemrechten beschikken, om vast te stellen dat zij daadwerkelijk toezicht uitoefenen op hun producentenorganisatie, of moet in het licht van de verdeling van de stemrechten tussen daadwerkelijk onafhankelijke leden, worden onderzocht of het aandeel in de stemrechten dat in handen is van een of meerdere leden die geen producent zijn, hen in staat stelt om zelfs zonder een meerderheid te hebben, toezicht uit te oefenen op de besluiten van de organisatie?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Spanje/Commissie (T-230/10)

Specifiek beleidsterrein: LNV