C-200/21 BRD Groupe Societe Generale et Next Capital Solutions 

Contentverzamelaar

C-200/21 BRD Groupe Societe Generale et Next Capital Solutions 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     2 juni 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     19 juli 2021

Trefwoorden : oneerlijke bedingen; consumenten; banken

Onderwerp :

Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten;

Feiten:

Op 18-10-2007 hebben BRD als crediteur en TU als debiteur een kredietovereenkomst gesloten. De schuldvordering uit de overeenkomst met TU is vervolgens meermaals overgedragen en ligt nu bij verweerster Next Capital Solutions Limited. Verweerster heeft zich op 23-02-2015 gewend tot het gerechtsdeurwaarderskantoor dat de procedure van gedwongen tenuitvoerlegging heeft ingeleid. Op 24-02-2015 heeft de gerechtsdeurwaarder een betalingsbevel uitgevaardigd, waarbij TU werd gelast om binnen een dag te voldoen aan de executoriale titel door aan de crediteur-cessionaris de restschuld en de tenuitvoerleggingskosten te betalen. Ook heeft de gerechtsdeurwaarder eveneens beslag gelegd op de aanwezige en toekomstige financiële middelen die TU bij verschillende banken had. De akten in het kader van de tenuitvoerlegging zijn op 02-03-2015 aan de debiteur meegedeeld. De gerechtsdeurwaarder is bij beslagleggingsbrief van 06-03-2015 overgegaan tot derdenbeslag op een derde van de maandelijkse inkomsten van TU. Op 05-08-2015 heeft TU verzocht om goedkeuring van een betalingsregeling. Op 06-12-2018 heeft de gerechtsdeurwaarder een betalingsbevel uitgevaardigd, waarbij de debiteur werd gelast om binnen 15 dagen te voldoen aan de executoriale titel. Indien hier niet aan werd voldaan, zou worden overgegaan tot gedwongen executie van het deel van het onroerende goed te Boekarest, dat in eigendom van TU was. De debiteur heeft verzet aangetekend tegen de tenuitvoerlegging, waarbij hij zich beriep op verjaring van het recht om gedwongen tenuitvoerlegging te vorderen. In de betreffende zaak is definitief geoordeeld dat het bewuste verzet tardief was. Op 17-02-2020 heeft de debiteur verzet tegen de tenuitvoerlegging ingediend. Hij verzocht de rechter om bij vonnis vast te stellen dat het beding inzake de inning van een commissie voor het opstellen van het dossier en het beding inzake de inning van een maandelijkse  commissie voor kredietadministratie oneerlijk waren en om de akten van tenuitvoerlegging in de procedure op de rol van de gerechtsdeurwaarder nietig te verklaren, naar aanleiding van de vaststelling dat de betwiste bedingen oneerlijk waren.

Overweging:

De vraag rijst hoe de richtlijn moet worden uitgelegd vanuit het oogpunt dat de consument het recht moet hebben om gedurende de gehele gedwongen tenuitvoerleggingsprocedure het oneerlijke karakter van contractuele bedingen aan te voeren in verzet tegen de tenuitvoerlegging. Deze vraag rijst aangezien de executierechter bij hetzelfde vonnis kan oordelen over de geldigheid van de uitvoeringshandelingen en als enige kan oordelen over de gevolgen van de nietigheid van de executoriale titel voor de procedure van gedwongen tenuitvoerlegging. In de tweede plaats heeft het Hof bij zijn beschikking in zaak C-75/19 geoordeeld dat richtlijn 93/13 zich verzet tegen een regel van nationaal recht op grond waarvan een consument zich na het verstrijken van een termijn van 15 dagen na mededeling van de eerste handelingen van een tenuitvoerleggingsprocedure niet meer kan beroepen op het bestaan van oneerlijke bedingen, terwijl voor een beroep van gemeen recht tot vaststelling van oneerlijke bedingen geen termijn geldt en de tenuitvoerlegging bij een dergelijke vordering niet kan worden opgeschort tot afronding van de behandeling. Aangezien het onderhavige geval vergelijkbaar is met dat in zaak C-75/19, maar verschilt op essentiële punten die het Hof heeft onderzocht, moet de richtlijn ook worden uitgelegd voor de situatie  waarin bij het beroep van gemeen recht wel opschorting van de gedwongen tenuitvoerlegging kan worden gevorderd.

Prejudiciële vraag:

Verzet richtlijn 93/13 zich tegen een bepaling van nationaal recht zoals die welke voortvloeit uit artikel 712 en volgende van hoofdstuk VI van het Roemeense wetboek van burgerlijke rechtsvordering, waarbij een termijn van 15 dagen wordt bepaald waarbinnen een debiteur in verzet tegen een gedwongen tenuitvoerlegging kan aanvoeren dat een beding in de executoriale titel oneerlijk is, terwijl een beroep tot vaststelling van het bestaan van oneerlijke bedingen in de executoriale titel niet aan enige termijn is onderworpen en daarbij om opschorting van de gedwongen tenuitvoerlegging van de titel kan worden verzocht, overeenkomstig artikel 638, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-75/19;

Specifiek beleidsterrein: EZK; FIN;