C-203/21 DELTA STROY 2003

Contentverzamelaar

C-203/21 DELTA STROY 2003

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     26 mei 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     12 juli 2021

Trefwoorden : strafrecht; bestuursrecht; legaliteitsbeginsel

Onderwerp :

-           Kaderbesluit 2005/212/JBZ inzake de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen;

-           Kaderbesluit 2006/783/JBZ inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van beslissingen tot confiscatie;

-           Richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie;

-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikelen 48 en 49;

Feiten:

ZK bestuurt en vertegenwoordigt de vennootschap DELTA STROY 2003 (hierna: DELTA). Op 05-08-2019 werd hem belastingontduiking ten bedrage van 11 388,98 Bulgaarse lev (BGN) ten laste gelegd in de vorm van een voortgezet strafbaar feit. Dit bedrag is de verschuldigde btw voor in totaal drie belastingtijdvakken, te weten maart, april en juli 2009. Tegen ZK is een strafzaak ingeleid bij de rechter in eerste aanleg, die op het tijdstip van dit verzoek om een prejudiciële beslissing nog niet in eerste aanleg was afgedaan. Wanneer het vonnis van de rechter van eerste aanleg is gewezen, bestaat er nog een wettelijke mogelijkheid van hoger beroep en cassatie. Overeenkomstig de artikelen 83a e.v. ZANN heeft de openbaar aanklager van het regionale parket van Burgas op 09-12-2020 de rechter in eerste aanleg in overweging gegeven een geldboete aan de vennootschap op te leggen, wegens verrijking met een vermogensvoordeel ten bedrage van in totaal 11 388,98 BGN ten gevolge van het strafbare feit dat is gepleegd door de bestuurder en vertegenwoordiger van deze vennootschap. De procedure tegen DELTA is ingeleid op grondslag van een tegen de bestuurder van deze vennootschap gerichte tenlastelegging van een fiscaal delict, die is ingediend bij de rechter in eerste aanleg. Naar aanleiding daarvan is bij die rechter een strafzaak geopend, die in eerste aanleg nog niet is afgerond. In zijn op grond van de artikelen 83a e.v. ZANN gedane voorstel stelt de openbaar aanklager dat de rechtspersoon zijns inziens volgens de wet bestuursrechtelijk strafbaar heeft gehandeld.

Overweging:

De procedure van de artikelen 83a e.v. ZANN is in 2005 voor het eerst in het Bulgaarse positieve recht opgenomen. Volgens de oorspronkelijke formulering van de bepaling legde de rechter de rechtspersoon pas een geldboete op na een definitieve strafrechtelijke veroordeling. In 2015 is de inhoud van deze bepaling volledig gewijzigd, en is de voorwaarde dat de strafrechtelijke veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan voordat de geldboete kan worden opgelegd, weggevallen. De verwijzende rechter is van mening dat voor een juiste beslechting van het geschil antwoord moet worden gegeven op de vraag of het fundamentele Unierechtelijke beginsel van de legaliteit van delicten en straffen in acht is genomen wanneer de rechter in een procedure als het hoofdgeding de vennootschap een sanctie oplegt, vóór het plegen van het strafbare feit in de zin van artikel 255 NK in de parallelle strafprocedure is vastgesteld.

Prejudiciële vragen:

1) Moeten de artikelen 4 en 5 van kaderbesluit 2005/212/JBZ en artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat zij zich niet in de weg staan aan een regeling van een lidstaat op grond waarvan de nationale rechter in een procedure als die in het hoofdgeding, aan een rechtspersoon een sanctie kan opleggen wegens een specifiek strafbaar feit waarvan het plegen nog niet vaststaat omdat dit onderwerp is van een parallelle strafprocedure die niet definitief is afgesloten?

2) Moeten de artikelen 4 en 5 van kaderbesluit 2005/212/JBZ en artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat zij zich niet in de weg staan aan een regeling van een lidstaat op grond waarvan de nationale rechter in een procedure als die in het hoofdgeding, aan een rechtspersoon een sanctie kan opleggen door de hoogte van die sanctie vast te stellen op het bedrag van de opbrengst die zou zijn verkregen uit een specifiek strafbaar feit waarvan het plegen nog niet vaststaat omdat dit onderwerp is van een parallelle strafprocedure die niet definitief is afgesloten?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-234/18

Specifiek beleidsterrein: JenV; FIN-fiscaal