C-208/22 Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid 

Contentverzamelaar

Terug C-208/22 Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    20 mei 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    6 juli 2022

Trefwoorden : Dublinverordening, interstatelijk vertrouwensbeginsel, internationale bescherming

Onderwerp :

Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend

Feiten:

Eiser heeft op 23-07-2020 in Griekenland en op 31-05-2021 in Kroatië een verzoek om internationale bescherming ingediend. Eiser is op 20-07-2021 Nederland ingereisd en heeft op 21-07-2021 een verzoek om internationale bescherming in Nederland ingediend. Op 09-09-2021 is een claimakkoord tussen Nederland en Kroatië tot stand gekomen op grond van artikel 18, lid 1 onder b, Dublinverordening. Eiser verzoekt de rechtbank om de overdracht aan Kroatië te verbieden omdat de Kroatische autoriteiten zijn grondrechten hebben geschonden en hij vreest dat na overdracht aan Kroatië zijn grondrechten, zoals vastgelegd in artikel 4 Handvest, wederom zullen worden geschonden. Eiser heeft verklaard dat hij vier keer na inreis in Kroatië door middel van een zogenoemde “pushback” door de Kroatische autoriteiten van het grondgebied van de Unie is verwijderd. Eiser heeft tevens verklaard dat hij is mishandeld door de Kroatische politie. Verweerder stelt dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en het claimakkoord er van uit wordt gegaan dat eiser na overdracht op grond van de Dublinverordening niet in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 4 Handvest. Eiser heeft zijn verklaringen over zijn ervaringen in Kroatië en de behandeling door de Kroatische autoriteiten niet onderbouwd met documenten. Eiser heeft daarnaast ook niet geklaagd bij de Kroatische autoriteiten over de gestelde pushbacks en mishandelingen. Verweerder geeft aan dat de verklaringen van eiser over zijn ervaringen in Kroatië niet leiden tot de conclusie dat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure in Kroatië.

Overweging:

De rechtbank dient in de onderhavige procedure te beoordelen of de overdracht van eiser aan Kroatië moet worden verboden. De rechtbank ziet zich in het hoofdgeding voor de vraag gesteld wat de reikwijdte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel is bij de toepassing van de Dublinverordening en acht om dit te kunnen beoordelen en om tot een uitspraak in het hoofdgeding te kunnen komen, nadere uitleg van het Unierecht noodzakelijk. De rechtbank wenst in wezen te vernemen of het interstatelijk vertrouwensbeginsel deelbaar is al naar gelang waar en in welke periode schendingen van het Handvest plaatsvinden, welke grondrechten zijn en/of worden geschonden en in hoeverre de houding van de verantwoordelijke lidstaat ten aanzien van de door die lidstaat begane schendingen relevant is. De centrale rechtsvraag in de onderhavige procedure is de vraag of de rechter het interstatelijk vertrouwensbeginsel moet “opknippen” in vertrouwen vóór en vertrouwen ná de overdracht en in vertrouwen in de specifieke situatie voor een Dublinterugkeerder en vertrouwen in de eerbiediging van alle grondrechten ten aanzien van alle derdelanders door de verantwoordelijke lidstaat. Een besluit wordt gestoeld op “vertrouwen” indien er onvoldoende feiten zijn of indien het gaat om verwachtingen voor toekomstige gebeurtenissen. Indien feitelijk vaststaat dat de verantwoordelijke lidstaat zijn Unierechtelijke en Verdragsrechtelijke verplichtingen om grondrechten te eerbiedigen ten aanzien van derdelanders in het algemeen niet nakomt en/of voor verzoeker voorafgaand aan overdracht niet is nagekomen, rijst de vraag waarop het vertrouwen ten aanzien van toekomstige gebeurtenissen dan is gebaseerd.

Prejudiciële vragen:

I Dient de Dublinverordening1, gelet op punten 3, 32 en 39 van de considerans en gelezen in samenhang met artikelen 1, 4, 18, 19 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie2, aldus te worden uitgelegd en toegepast dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet deelbaar is, zodat ernstige en stelselmatige schendingen van het Unierecht die door de mogelijk verantwoordelijke lidstaat worden begaan vóór overdracht ten aanzien van derdelanders die (nog) geen Dublinterugkeerder zijn absoluut in de weg staan aan overdracht aan deze lidstaat?

II Dient artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4, 18, 19 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat indien de mogelijk verantwoordelijke lidstaat op ernstige en stelselmatige wijze het Unierecht schendt, de overdragende lidstaat in het kader van de Dublinverordening niet voetstoots van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan, maar elke twijfel moet wegnemen dan wel aannemelijk moet maken dat de verzoeker na overdracht niet in een situatie zal geraken die in strijd is met artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie?

III Met welke bewijsmiddelen kan de verzoeker zijn argumenten dat artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, aan zijn overdracht in de weg staat staven en welke bewijsmaatstaf dient hierbij te worden gehanteerd? Heeft de overdragende lidstaat, gelet op de verwijzingen naar het Unieacquis in de considerans van de Dublinverordening, een samenwerkingsplicht en/of vergewisplicht, dan wel dienen er, indien sprake is van ernstige en stelselmatige schendingen van grondrechten ten aanzien van derdelanders, individuele garanties te worden verkregen van de verantwoordelijke lidstaat dat na overdracht de grondrechten van de verzoeker (wel) worden geëerbiedigd? Luidt de beantwoording van deze vraag anders als de verzoeker in bewijsnood verkeert indien hij zijn consistente en gedetailleerde verklaringen niet met documenten kan staven, terwijl dit gelet op de aard van de verklaringen niet kan worden verwacht?

IV Luidt de beantwoording van de voorgaande vragen onder III anders indien de verzoeker aannemelijk maakt dat klagen bij de autoriteiten en/of het aanwenden van rechtsmiddelen in de verantwoordelijke lidstaat niet mogelijk en/of niet effectief zal zijn?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (C-614/21), Ministero dell'Interno (C-254/21, C-228-21,C-297/21, C-315-21 en C-328-21, C-63/15), (163/17), (C 404/15 en C 659/15 PPU), C. K. e.a. (C 578/16 PPU), N. S. e.a.  (C 411/10 en C 493/10)

Specifiek beleidsterrein: JenV-DMB