C-21/16 Euro Tyre

Contentverzamelaar

Terug C-21/16 Euro Tyre

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   11 maart 2016
Concept schriftelijke opmerkingen:       26 maart 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   26 april 2016
Trefwoorden: btw; intracommunautaire verwerving

Onderwerp
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

Verzoekster is een POR filiaal van de NL Euro Tyre groep, actief in im- en export van banden, in POR en SPA. Voor de btw is zij onderworpen aan de normale regeling van maandelijkse aangiften. Voor de intracommunautaire handel met SPA afnemers heeft verzoekster gebruik gemaakt van de POR btw-vrijstelling (RITI). Er vindt een controle plaats over de jaren 2010, 2011 en 2012 waarin onder meer het (ten onrechte) gebruik van genoemde vrijstelling wordt vastgesteld. Verzoekster krijgt een naheffing met vertragingsrente. Zij betaalt, maar dient dan in januari 2014 alsnog bezwaar in voor wat betreft de handel met Euro Tyre Distribuición de Neumáticos SL, dat 20-05-2014 wordt afgewezen. Het daarop ingestelde beroep wordt 26-02-2015 verworpen, waarbij wordt verklaard dat de vraag is of voor de betreffende btw-vrijstellingsregeling vereist is dat de in een andere EULS gevestigde afnemer is ingeschreven in het register van intracommunautaire handelaars (VIES = VAT Information Exchange System). De SPA Euro Tyre had wel een btw-nummer, maar was ten tijde van de verkoopverrichtingen (nog) niet in het VIES geregistreerd. Verzoekster was daarvan op de hoogte maar verwachtte dat dit alsnog met terugwerkende kracht zou geschieden. Verweerster (POR belasting- en douaneAut) gaat ervan uit dat hier geen sprake is van fraude of belastingontwijking. Verzoekster heeft 05-06-2015 verzocht om een arbitrale uitspraak. Zij stelt dat de POR regeling een onjuiste omzetting is van RL 2006/112. Het gaat dan om de tweede voorwaarde in het RITI dat de afnemer in de LS van verwerving valt onder een btw-regeling voor intracommunautaire goederenverwervingen. Voor die voorwaarde is geen grondslag in de btw-RL; het gaat om een formele voorwaarde die PORaut als nieuwe voorwaarde heeft opgelegd. Het zou voldoende moeten zijn dat de afnemer aantoont dat hij een btw-identificatienummer heeft.

De verwijzende POR rechter (administratieve rechter) stelt vast dat voor zover hem bekend deze kwestie nog niet eerder aan het HvJEU is voorgelegd. Wel heeft het HvJEU een prejudiciële verwijzing in arbitragezaken in belastingaangelegenheden ontvankelijk verklaard. Hij legt hij het HvJEU de volgende vragen voor:
i) Moeten de artikelen 131 en 138, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de belastingdienst van een lidstaat een in deze lidstaat gevestigde verkoper de btw-vrijstelling voor een intracommunautaire levering weigert op grond dat de in een andere lidstaat gevestigde afnemer noch in het VIES is geregistreerd noch in die lidstaat onder een btw-regeling voor intracommunautaire goederenverwervingen valt hoewel hij ten tijde van de handeling in die andere lidstaat beschikte over een geldig btw-identificatienummer, dat werd vermeld op de facturen betreffende de handelingen, wanneer cumulatief is voldaan aan de materiële voorwaarden van een intracommunautaire levering, dat wil zeggen wanneer het recht om over het goed als een eigenaar te beschikken aan de afnemer is overgedragen, de leverancier bewijst dat dit goed is verzonden of vervoerd naar de andere lidstaat en als gevolg van die verzending of dat vervoer het goed het grondgebied van de lidstaat van levering fysiek heeft verlaten met bestemming een afnemer die een belastingplichtige is of een als belastingplichtige handelende rechtspersoon in een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek van de goederen?
ii) Verzet het evenredigheidsbeginsel zich ertegen dat artikel 138, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG aldus wordt uitgelegd dat de vrijstelling wordt geweigerd wanneer een in een lidstaat gevestigde verkoper weet dat de in een andere lidstaat gevestigde afnemer, hoewel die laatste een geldig btw-identificatienummer bezit, in die andere lidstaat noch in het VIES geregistreerd is noch onder een btw-regeling voor intracommunautaire verwervingen van goederen valt, maar verwacht dat hij met terugwerkende kracht zal worden geregistreerd als intracommunautaire handelaar?
Aangehaalde jurisprudentie: C-256/14 Lisboagas
Specifiek beleidsterrein: FIN

Gerelateerde documenten