C-218/15 Paoletti ea

Contentverzamelaar

Terug C-218/15 Paoletti ea

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   10 juli 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   26 juli 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   26 augustus 2015
Trefwoorden: strafrecht; toetredingsverdrag BUL en ROE; handvest grondrechten

Onderwerp
Handvest grondrechten artikel 49 (legaliteitsbeginsel)

Verzoekers worden verdacht van hulp bij illegale binnenkomst en verblijf van ROE burgers. Zij hebben daarvoor in 2004/2005 een vennootschap opgericht, een fictieve nevenvestiging van een ROE NV met zetel te Boekarest om tijdelijke binnenkomst voor werkzaamheden van dertig ROE staatsburgers mogelijk te maken, buiten het wettelijk vastgestelde aantal om. Dit speelde dus voor de inwerkingtreding van het toetredingsverdrag ROE/BUL (in 2007).

De verwijzende ITA rechter (Rb Campobasso) memoreert dat in het ITA recht enerzijds de bepalingen van het (grondwettelijk) verbod van terugwerkende kracht van strafrechtelijke bepalingen in het nadeel van de verdachte gelden en anderzijds terugwerkende kracht van strafrechtelijke bepalingen die gunstig zijn voor de verdachte. Aangezien het hier strafbare feiten van vóór inwerkingtreding van het toetredingsverdrag van ROE betreft heeft de cassatierechter de vraag onderzocht of de verwerving van het burgerschap van de Unie hier voor de (illegaal binnengekomen) ROE burgers terugwerkt. Hij heeft in 2008 bepaald dat louter de feitelijke situatie is gewijzigd, zodat hun verblijf in Italië rechtmatig is vanaf de toetreding van ROE, maar de strafbaarheid van vóór dat moment gepleegde feiten niet is uitgesloten. Toetreding is een lang proces en heeft gevolgen voor burgers van de toetredende LS, waaronder de mogelijkheid om zich binnen de Unie vrij te bewegen. Daarom kan volgens de Corte di cassazione niet worden gesteld dat ROE staatsburgers voor de toepassing van het strafrecht behandeld moeten worden alsof zij steeds burgers van de Unie zijn geweest en dat delicten gepleegd toen zij voor onze rechtsorde vreemdelingen waren, niet langer strafbaar zijn. Dit zou een niet-EU-burger die weet dat zijn land binnen afzienbare tijd tot de EU zal toetreden kunnen verleiden strafbare feiten te plegen in de wetenschap dat die zonder gevolgen zullen blijven. Deze lijn wordt sindsdien in de ITA rechtspraak gevolgd. Hij vraagt zich echter af of dit verenigbaar is met bepalingen van het EVRM en EU-handvest. Omdat hij vreest dat een vonnis van zijn kant waarin de ITA rechtspraktijk niet wordt gevolgd door hogere rechters zal worden vernietigd legt hij de volgende vragen aan het HvJEU voor:
1) Moeten artikel 7 EVRM, artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, afgekondigd te Nice op 7 december 2000, en artikel 6 [VEU] aldus worden uitgelegd dat het strafbare feit dat is omschreven in artikel 12 van decreto legislativo nr. 286/1998 (geconsolideerde wet [betreffende immigratie]) met betrekking tot hulp bij immigratie en verblijf van Roemeense staatsburgers op het grondgebied van de Italiaanse Staat, door de toetreding van Roemenië tot de Europese Unie, op 1 januari 2007, is komen te vervallen?
2) Moeten deze artikelen aldus worden uitgelegd dat de lidstaat het beginsel van terugwerkende kracht van gunstigere bepalingen niet kan toepassen jegens hen die zich vóór 1 januari 2007 (of een latere datum met ingang waarvan het verdrag volledig werkt), datum van toetreding van Roemenië tot de Europese Unie, schuldig hebben gemaakt aan schending van artikel 12 van decreto legislativo nr. 286/1998 (geconsolideerde wet betreffende immigratie) wegens hulp bij immigratie van Roemeense staatsburgers, een feit dat sinds 1 januari 2007 niet meer strafbaar is?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-387/02, C-391/02 en C-403/02 Berlusconi e.a.
Specifiek beleidsterrein: VenJ

Gerelateerde documenten