C-224/20

Contentverzamelaar

Terug C-224/20

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     3 augustus 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     20 september 2020

Trefwoorden : geneesmiddelen; merkenrecht; parallelimport

Onderwerp :

-           Richtlijn 2011/62/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 tot wijziging van richtlijn 2001/83/EG tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik;

-           Gedelegeerde verordening (EU) 2016/161 van de Commissie van 2 oktober 2015 tot aanvulling van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad door de vaststelling van gedetailleerde regels voor de veiligheidskenmerken op de verpakking van geneesmiddelen voor menselijk gebruik;

-           Richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten;

-           Verordening (EU) 2017/1001/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk;

 

Feiten:

In deze verwijzingsbeschikking worden zeven zaken beschreven die hebben geleid tot de prejudiciële vragen. Deze zaken hebben betrekking op parallelimport/-distributie (hierna: parallelimport) en herverpakking van geneesmiddelen. Verzoeksters zijn geneesmiddelenfabrikanten en merkhouders voor de geneesmiddelen die elk van hen vervaardigt en verkoopt. Verweersters voeren geneesmiddelen die door verzoeksters in andere landen van de EU in de handel zijn gebracht, parallel in Denemarken in. De verwerende parallelimporteurs herverpakken de geneesmiddelen in nieuwe buitenverpakkingen. Verzoekers stellen dat het merkenrecht een merkhouder het recht geeft om zich in omstandigheden als die van het hoofdgeding te verzetten tegen herverpakking in nieuwe buitenverpakkingen. De verwerende parallelimporteurs betogen dat de herverpakking noodzakelijk en dus rechtmatig is. De vraag rijst of de geneesmiddelenfabrikanten zich kunnen verzetten tegen die herverpakking.

 

Overweging:

Het verzoek betreft met name de eventuele gevolgen die richtlijn 2011/62 en gedelegeerde verordening 2016/161 hebben voor het recht van een parallelimporteur om parallel ingevoerde geneesmiddelen te herverpakken in nieuwe buitenverpakkingen, zoals in casu is gebeurd. Aangezien de opheldering van de kwesties beslissend is voor de beslechting van de onderhavige zaken en de twijfels de uitlegging van Unierechtelijke bepalingen betreffen, acht de verwijzende rechter het noodzakelijk dat het Hof wordt verzocht om de onderstaande vragen te beantwoorden.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moeten artikel 15, lid 2, van richtlijn 2015/2436/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten en artikel 15, lid 2, van verordening 2017/1001/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk aldus worden uitgelegd dat een merkhouder zich kan verzetten tegen de verdere  verhandeling van een geneesmiddel dat door een parallelimporteur is herverpakt in een nieuwe buitenverpakking, waarop het merk opnieuw is aangebracht,

i)          wanneer de importeur in staat is om een verpakking te verkrijgen die in de handel kan worden gebracht en om effectief toegang tot de markt van de lidstaat van invoer te krijgen door de  oorspronkelijke buitenverpakking te verbreken – teneinde nieuwe etiketten op de binnenverpakking aan te brengen en/of de bijsluiter te vervangen – en vervolgens de oorspronkelijke buitenverpakking opnieuw te verzegelen met een nieuw middel waarmee kan worden gecontroleerd of met de verpakking is geknoeid, overeenkomstig artikel 47 bis van richtlijn 2001/83/EG tot vaststelling van een  communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/62/EU van het Europees Parlement en de Raad) en artikel 16 van gedelegeerde verordening (EU) 2016/161 van de Commissie inzake veiligheidskenmerken op de verpakking van geneesmiddelen?

ii)         wanneer de importeur niet in staat is om een verpakking te verkrijgen die in de handel kan worden gebracht en om effectief toegang tot de markt van de lidstaat van invoer te krijgen door de  oorspronkelijke buitenverpakking te verbreken – teneinde nieuwe etiketten op de binnenverpakking aan te brengen en/of de bijsluiter te vervangen – en vervolgens de oorspronkelijke buitenverpakking opnieuw te verzegelen met een nieuw middel waarmee kan worden gecontroleerd of met de verpakking is geknoeid, overeenkomstig artikel 47 bis van richtlijn 2001/83/EG tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/62/EU van het Europees Parlement en de Raad) en artikel 16 van gedelegeerde verordening (EU) 2016/161 van de Commissie inzake veiligheidskenmerken op de verpakking van geneesmiddelen?

2) Moet richtlijn 2001/83 (zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/62), waaronder met name artikel 47 bis en artikel 54, onder o), aldus worden uitgelegd dat een nieuw middel waarmee kan worden gecontroleerd of met de verpakking is geknoeid (middel tegen knoeien), dat – in verband met een aanvullende etikettering nadat de oorspronkelijke verpakking op zodanige wijze is geopend dat het oorspronkelijke middel tegen knoeien geheel of gedeeltelijk is afgedekt en/of verwijderd – op de oorspronkelijke verpakking van het geneesmiddel wordt aangebracht, in de zin van artikel 47 bis, lid 1, onder b), ‚gelijkwaardig [is] wat de mogelijkheid betreft om de authenticiteit en de identiteit van het  geneesmiddel te controleren en om te bewijzen dat met het geneesmiddel is geknoeid’ en in de zin van artikel 47 bis, lid 1, onder b), ii) ‚even doeltreffend [is] om de authenticiteit van de geneesmiddelen te controleren en de identiteit ervan vast te stellen en om te bewijzen dat met de geneesmiddelen is geknoeid’, wanneer

a) de verpakking van de geneesmiddelen zichtbare tekenen vertoont die erop wijzen dat het  oorspronkelijke middel tegen knoeien is verbroken, of

b) zulks kan worden vastgesteld door het product aan te raken, onder meer i) bij de rechtens voorgeschreven controle van de integriteit van het middel tegen knoeien door  fabrikanten, groothandelaren, apothekers en personen die gemachtigd of gerechtigd zijn  geneesmiddelen aan het publiek te verstrekken [zie artikel 54 bis, lid 2, onder d), van richtlijn 2011/62 alsook artikel 10, onder b), en de artikelen 25 en 30, van verordening 2016/161), of ii) nadat de verpakking van de geneesmiddelen is geopend, bijvoorbeeld door een patiënt?

3) Indien vraag 2 ontkennend wordt beantwoord:

Moeten artikel 15 van richtlijn 2015/2436, artikel 15 van verordening 2017/1001 alsook de artikelen 34 en 36 VWEU dan aldus worden uitgelegd dat herverpakking in een nieuwe buitenverpakking objectief gesproken noodzakelijk is om effectief toegang tot de markt van de staat van invoer te krijgen, wanneer het voor de parallelimporteur niet mogelijk is om aanvullende etikettering aan te brengen en de oorspronkelijke verpakking opnieuw te verzegelen overeenkomstig artikel 47 bis van richtlijn 2001/83 (zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/62), dat wil zeggen zonder dat

a)         de verpakking van de geneesmiddelen zichtbare tekenen vertoont die erop wijzen dat het  oorspronkelijke middel tegen knoeien is verbroken, of

b)         zulks kan worden vastgesteld door het product aan te raken zoals beschreven in de tweede vraag, op een wijze die niet in overeenstemming is met artikel 47 bis?

4) Moeten richtlijn 2001/83 (zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/62) en verordening 2016/161, gelezen in samenhang met de artikelen 34 en 36 VWEU alsook artikel 15, lid 2, van richtlijn 2015/2436, aldus worden uitgelegd dat een lidstaat [in Denemarken: de Lægemiddelstyrelse (geneesmiddelenbureau)] bevoegd is om richtsnoeren vast te stellen op grond waarvan als hoofdregel geldt dat herverpakking in een nieuwe buitenverpakking moet plaatsvinden terwijl alleen op aanvraag, in uitzonderlijke gevallen (bijvoorbeeld wanneer de aanvoer van het geneesmiddel in gevaar kan komen), [or. 18] aanvullende etikettering en herverzegeling kan worden toegestaan waarbij op de oorspronkelijke buitenverpakking nieuwe veiligheidskenmerken worden aangebracht, of is de vaststelling en handhaving van dergelijke richtsnoeren door een lidstaat onverenigbaar met de artikelen 34 en 36 VWEU en/of met artikel 47 bis van richtlijn 2001/83 en artikel 16 van verordening 2016/161?

5) Dienen artikel 15, lid 2, van richtlijn 2015/2436 en artikel 15, lid 2, van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met de artikelen 34 en 36 VWEU, aldus te worden uitgelegd dat de  erverpakking in een nieuwe buitenverpakking, waartoe wordt overgegaan door een parallelimporteur overeenkomstig de in vraag 4 vermelde richtsnoeren die door een lidstaat zijn vastgesteld, moet worden geacht noodzakelijk te zijn in de zin van de rechtspraak van het Hof,

i)          wanneer dergelijke richtsnoeren verenigbaar zijn met de artikelen 34 en 36 VWEU alsook met de rechtspraak van het Hof over de parallelimport van geneesmiddelen?

ii)         wanneer dergelijke richtsnoeren onverenigbaar zijn met de artikelen 34 en 36 VWEU alsook met de rechtspraak van het Hof over de parallelimport van geneesmiddelen?

6) Dienen de artikelen 34 en 36 VWEU aldus te worden uitgelegd dat de herverpakking van een geneesmiddel in een nieuwe buitenverpakking objectief noodzakelijk moet zijn voor de effectieve toegang tot de markt van de staat van invoer, ofschoon de parallelimporteur het oorspronkelijke merk (productnaam) niet opnieuw heeft aangebracht maar in de plaats daarvan de nieuwe buitenverpakking heeft voorzien van een productnaam die niet het merk van de merkhouder bevat (debranding)?

7) Moeten artikel 15, lid 2, van richtlijn 2015/2436 en artikel 15, lid 2, van verordening 2017/1001 aldus worden uitgelegd dat een merkhouder zich kan verzetten tegen de verdere verhandeling van een geneesmiddel dat door een parallelimporteur is herverpakt in een nieuwe buitenverpakking, wanneer de parallelimporteur enkel het productspecifieke merk van de merkhouder opnieuw heeft aangebracht, maar niet de overige merken [or. 19] en/of handelsaanduidingen die de merkhouder had aangebracht op de oorspronkelijke buitenverpakking?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-427/93, C-429/93 en C-436/93; C-443/99; C-143/00; C-348/04; C-297/15;

Specifiek beleidsterrein: VWS; EZK