C-230/15 Brite Strike Technologies

Contentverzamelaar

Terug C-230/15 Brite Strike Technologies

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   14 juli 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   30 juli 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   30 augustus 2015
Trefwoorden: EEX; merkenrecht; BENELUX-verdrag inzake de intellectuele eigendom

Onderwerp
- Beneluxverdrag intellectuele eigendom (BVIE);
- Verordening (EG) 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheden, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

De zaak gaat tussen het Amerikaanse bedrijf Brite Strike Technologies Inc. (verzoekster) en het in LUX gevestigde Brite Strike Technologies SA (verweerster). Verweerster heeft in 2010 het woordmerk ‘Brite-Strike’ gedeponeerd. Verzoekster vordert een verklaring voor recht dat verweerster te kwader trouw en in strijd met de rechten van verzoekster als eerste gebruiker, het Merk als Benelux woordmerk heeft laten inschrijven. Als voormalig distributeur van verzoekster had het verweerster bekend moeten zijn dat de aanduiding Brite Strike door verzoekster voordien normaal en te goeder trouw werd gebruikt als merk en handelsnaam in de gehele Benelux. Zij eist nietigverklaring (op grond van verkrijging te kwader trouw in BVIE artikel 2.4) en doorhaling van het merk. Verweerster stelt onbevoegdheid van de Rb. De rechter oordeelt dat de vordering onder het toepassingsbereik van Vo. 44/2001 valt. In die Vo. wordt bepaald dat de Vo. onverlet laat dat een gerecht van een LS bevoegdheid ontleent aan een verdrag over een bijzonder onderwerp waarbij die LS partij is. Er zijn diverse Benelux merkenrechtverdragen; het BVIE is sinds 01-09-2006 in werking. Hierin is bepaald dat de territoriale bevoegdheid van de rechter wordt bepaald door de woonplaats van gedaagde of waar de verbintenis is gesloten. Indien BVIE prevaleert boven EEX-Vo. zou dit dus betekenen dat de Rb niet bevoegd is. Het Hof DH heeft echter eerder uitspraak gedaan (H&M vs G-Star 26-11-2013) dat de EEX-Vo. prevaleert.

De verwijzende NL rechter (Rb DH) heeft voorgesteld vragen aan het HvJEU voor te leggen. Verzoekster heeft aangegeven dat mogelijk de zaak niet onder de EEX-Vo. valt omdat zou kunnen worden betoogd dat het in feite een geschil betreft tussen een producent/verkoper en een (ex-)distributeur over hun (post)contractuele relatie. Maar de rechter oordeelt dat er wel samenhang is maar dat de zaak niet gebaseerd is op een (post)contractuele verbintenis. De vragen luiden als volgt:
I. Dient het BVIE (al dan niet op de in het arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 november 2013, overwegingen 28 - 34 genoemde gronden) te worden aangemerkt als een posterieur verdrag, zodat artikel 4.6 BVIE niet kan worden aangemerkt als een bijzondere regeling, in de zin van artikel 71 EEX-Vo oud?
Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord:
II. Volgt uit artikel 22 lid 4 EEX-Vo oud dat zowel de Belgische, als de Nederlandse en de Luxemburgse rechter internationaal bevoegd zijn van het geschil kennis te nemen?
III. Zo nee, hoe dient dan in een geval als het onderhavige te worden vastgesteld of de Belgische, dan wel de Nederlandse of de Luxemburgse rechter internationaal ~ bevoegd is? Kan voor deze (nadere) vaststelling van de internationale bevoegdheid artikel 4.6 BVIE (wél) worden toegepast?

Specifiek beleidsterrein: VenJ en EZ

Gerelateerde documenten