C-231/21 Bundesamt fur Fremdenwesen und Asyl

Contentverzamelaar

Terug C-231/21 Bundesamt fur Fremdenwesen und Asyl

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     1 juni 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     18 juli 2021

Trefwoorden : Dublin III verordening; verantwoordelijke lidstaat

Onderwerp :

-           Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van

26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking);

-           Verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad tot vaststelling

van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend;

-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

-           Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens;

Feiten:

Verzoeker tot „Revision”, een Marokkaans onderdaan, is in oktober 2016 vanuit Libië naar Italië gereisd, waar op 27 oktober 2016 zijn persoonsgegevens door de politie zijn geregistreerd. Vervolgens heeft hij zich naar Oostenrijk begeven en op 20 februari 2017 een verzoek om internationale bescherming ingediend. Daarop vond een overlegprocedure overeenkomstig de Dublin III-verordening plaats en is een overnameverzoek tot de Italiaanse instanties gericht. Op dat verzoek is geen reactie gekomen. Dientengevolge werden de Italiaanse instanties op 30 mei 2017 ervan in kennis gesteld dat de overname van verzoeker overeenkomstig artikel 22, lid 7, van de Dublin III-verordening was aanvaard en dat de overdrachtstermijn was ingegaan op 2 mei 2017. De overdracht van verzoeker aan Italië, kon niet doorgaan omdat verzoeker toen was opgenomen in de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis in Wenen. De Italiaanse instanties werden ervan  in kennis gesteld dat de overdrachtstermijn, wegens de vasthouding van verzoeker, tot twaalf maanden was verlengd. Vervolgens werd verzoeker op 6 december 2017 door Oostenrijk aan Italië overgedragen door middel van verwijdering. Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt, omdat de overdracht had plaatsgevonden ondanks het feit dat de overdrachtstermijn van zes maanden overeenkomstig artikel 29, lid 1, eerste alinea, van de Dublin III-verordening op 2 november 2017 was verstreken.

Overweging:

In het onderhavige geval moet worden bepaald of de verwijdering (overdracht) van verzoeker naar Italië op 6 december 2017 rechtmatig was, hetgeen afhangt van de vraag of die maatregel in het licht van de rechtssituatie op grond van artikel 29 van de Dublin III-verordening binnen de gestelde termijn heeft plaatsgevonden. De overdrachtstermijn is verstreken op 2 november 2017. Deze termijn kan volgens artikel 29, lid 2, tweede volzin, van de Dublin III-verordening echter „tot maximaal één jaar worden verlengd” indien de overdracht wegens gevangenzetting van de betrokkene niet kon worden uitgevoerd. De vraag is dan ook of vasthouding in een psychiatrische afdeling van een ziekenhuis kan worden opgevat als “gevangenzetting”. Mocht het Hof tot de conclusie komen dat vasthouding in de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis, “gevangenzetting” in de zin van artikel 29, lid 2, tweede volzin, van de Dublin III-verordening vormt, dan moet volgens het Verwaltungsgerichtshof ook de vraag worden beantwoord in hoeverre de overdrachtstermijn in dat geval kan worden verlengd. Blijkens de bewoordingen van deze bepaling moet er een oorzakelijk verband bestaan tussen de “gevangenzetting” en de niet-inachtneming van de overdrachtstermijn en kan die termijn in dat geval “tot maximaal één jaar worden verlengd”. Uit het gebruik van het begrip “maximaal” lijkt te volgen dat het niet per se om een termijn van één jaar hoeft te gaan.

Prejudiciële vragen:

1. Moet onder gevangenzetting in de zin van artikel 29, lid 2, tweede volzin, van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking) (PB 2013, L 180, blz. 31) ook worden verstaan de door een rechter ontvankelijk verklaarde opname van de betrokkene tegen of buiten zijn wil in de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis (in casu omdat de betrokkene wegens zijn psychische aandoening een gevaar voor zichzelf en voor anderen vormt)?

2. Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord:

a) Kan de termijn van artikel 29, lid 2, eerste volzin, van voornoemde verordening in ieder geval tot één jaar worden verlengd – met bindende werking voor de betrokkene – in het geval van gevangenzetting door de verzoekende lidstaat?

b) Zo niet, voor welke duur is verlenging toegestaan, bijvoorbeeld alleen aa) voor de daadwerkelijke duur van de gevangenzetting, of bb) voor de vermoedelijke totale duur van de gevangenzetting, uitgaande van het tijdstip van kennisgeving van de verantwoordelijke lidstaat overeenkomstig artikel 9, lid 2, van verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 343/2003 (PB 2003, L 222, blz. 3), zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 118/2014 van de Commissie van 30 januari 2014 (PB 2014, L 39, blz. 1), desnoods met een redelijke extra termijn om de overdracht opnieuw te organiseren?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-201/16; C-163/17; C-578/16

Specifiek beleidsterrein: JenV-DMB