C-231/22 Etat belge

Contentverzamelaar

C-231/22 Etat belge

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    14 juni 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    31 juli 2022

Trefwoorden: AVG, verwerkingsverantwoordelijke, gegevensbescherming, persoonsgegevens

Onderwerp:

Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG

Feiten:

Op 23-01-2019 heeft de algemene vergadering van de vennootschap Bureau LM besloten om het vennootschapskapitaal te verminderen. De instrumenterende notaris heeft overeenkomstig de wettelijke bekendmakingsregels een uittreksel van dat besluit opgesteld en toegezonden aan de griffie van de ondernemingsrechtbank met het oog op de officiële bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, een orgaan dat onder de FOD (Federale Overheidsdienst) Justitie valt. Naast de vereiste gegevens vermeldt het uittreksel dat op 12-02-2019 ter griffie van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank van Brussel is neergelegd en dat op 22-02-2019 in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, ook „de naam van beide vennoten (LM en BD), de aan hen terugbetaalde bedragen en hun bankrekeningnummers” (litigieuze passage). LM komt op tegen de bekendmaking van de litigieuze passage en heeft de FOD Justitie verzocht om haar te verwijderen. De FOD Justitie heeft geweigerd om aan dat verzoek gehoor te geven. Op 21-01-2020 heeft LM bij de Belgische Gegevensbeschermingsautoriteit een klacht ingediend tegen het Belgisch Staatsblad (FOD Justitie) wegens inbreuken op artikel 5 (beginsel van minimale gegevensverwerking), artikel 6 (bekendmaking van persoonsgegevens) en artikel 17 (recht op gegevenswissing) van de AVG.  De Gegevensbeschermingsautoriteit heeft de klacht toegewezen en in essentie gelast dat de litigieuze passage wordt gewist. Op 22-04-2021 heeft de Belgische Staat tegen dat besluit beroep ingesteld bij de cour d’appel de Bruxelles (hof van beroep Brussel), waarbij in de eerste plaats de hoedanigheid van „verwerkingsverantwoordelijke” werd betwist die het Bestuur van het Belgisch Staatsblad volgens de Gegevensbeschermingsautoriteit bezit.

Overweging:

De cour d’appel merkt op dat partijen twisten over het begrip „verwerkingsverantwoordelijke” voor zover de litigieuze persoonsgegevens door meerdere personen achtereenvolgens zijn verwerkt: de notaris van de vennootschap die de akte heeft opgesteld, de griffie van de ondernemingsrechtbank waarbij deze akte vervolgens is neergelegd en het Belgisch Staatsblad dat de akte ten slotte heeft bekendgemaakt. Deze uitlegging doet met name de vraag rijzen of elk van deze „opeenvolgende eventuele verwerkingsverantwoordelijken” dan wel slechts één van hen „verantwoordelijk” moet worden geacht voor de naleving van de in artikel 5, lid 1, AVG geformuleerde beginselen. De cour d’appel vraagt zich dan ook af of dit begrip „latere” of „opeenvolgende” verwerkingsverantwoordelijke is vastgesteld in de AVG. In casu stelt de Gegevensbeschermingsautoriteit in haar besluit alleen vast dat twee „verwerkingsverantwoordelijken” achtereenvolgens zijn opgetreden. Naar het oordeel van de cour d’appel is het Belgisch Staatsblad ongetwijfeld ontvanger van gegevens in de zin van artikel 4, punt 9, AVG, maar het vraagt zich af of het Belgisch Staatsblad op zijn beurt als „latere” verwerkingsverantwoordelijke is opgetreden.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 4, punt 7, van de algemene verordening gegevensbescherming aldus worden uitgelegd dat het staatsblad van een lidstaat – dat belast is met de openbaredienstverleningstaak van de bekendmaking en de archivering van officiële documenten en dat volgens de toepasselijke nationale wetgeving tot taak heeft de akten en officiële documenten waarvan de bekendmaking hem door derde overheidsinstanties wordt bevolen, bekend te maken zoals zij door die instanties zijn meegedeeld nadat zij de in die akten en documenten opgenomen persoonsgegevens zelf hebben verwerkt, waarbij de nationale wetgever hem geen beoordelingsbevoegdheid heeft gelaten met betrekking tot de inhoud van de bekend te maken documenten of het doel van en de middelen voor de bekendmaking – de hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke heeft?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 5, lid 2, van de algemene verordening gegevensbescherming dan aldus worden uitgelegd dat het betrokken staatsblad als enige verantwoordelijk is voor de naleving van de verplichtingen die volgens deze bepaling rusten op de verwerkingsverantwoordelijke, met uitsluiting van de derde overheidsinstanties die de gegevens in deze akten en officiële documenten eerder hebben verwerkt en hem hebben verzocht om deze gegevens bekend te maken, of rusten die verplichtingen cumulatief op elk van de opeenvolgende verwerkingsverantwoordelijken?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV