C-232/21 Volkswagen Bank et Audi Bank 

Contentverzamelaar

C-232/21 Volkswagen Bank et Audi Bank 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     10 juni 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     27 juli 2021

Trefwoorden : consumentenbescherming; kredietovereenkomsten; banken

Onderwerp :

Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad;

Feiten:

Het gaat in casu om vier verschillende feitelijke situaties. Net zoals bij de zaken C-33/20, C-155/20, C-187/20, C-336/20, C-38/21 en C-47/21 sloot elk van de verzoekende partijen met de betrokken bank, verweerster, een kredietovereenkomst om een auto te kopen voor particulier gebruik. Verzoekers deden elk een aanbetaling aan het autobedrijf en financierden door middel van het krediet het resterende bedrag van de koopprijs en een bepaald bedrag voor een schuldsaldoverzekering. Verweerster maakte bij de voorbereiding en sluiting van de kredietovereenkomsten gebruik van het betrokken autobedrijf dat als kredietbemiddelaar optrad. Verzoekers hebben de overeengekomen termijnen regelmatig betaald, maar hun op de sluiting van de kredietovereenkomst gerichte wilsverklaring herroepen. In de eerste t/m de derde procedure waren de betreffende kredieten op het tijdstip van de herroeping nog niet volledig afgelost. In de vierde procedure was dit echter wel reeds gebeurd. Verzoekers zijn elk van mening dat hun herroeping geldig is, aangezien de herroepingstermijn niet is ingegaan omdat verplichte informatie onvolledig was. Verweersters voeren aan dat zij alle informatie naar behoren hebben verstrekt  en dat de respectieve herroepingstermijnen zijn verstreken.

Overweging:

Of de beroepen zullen slagen, hangt af van de geldigheid van de herroeping van de kredietovereenkomsten en van het antwoord op de vraag of verweersters in voorkomend geval kunnen aanvoeren dat er sprake is van rechtsverwerking of dat de uitoefening van het herroepingsrecht misbruik van recht oplevert.

Prejudiciële vragen:

1) Wat betreft de wettigheidsfictie als bedoeld in artikel 247, § 6, lid 2, derde volzin, en § 12, lid 1, derde volzin, EGBGB [Einführungsgesetz zum Bürgerlichen Gesetzbuche (invoeringswet van het Duitse burgerlijk wetboek)]:

a)         Zijn artikel 247, § 6, lid 2, derde volzin, en artikel 247, § 12, lid 1, derde volzin, EGBGB onverenigbaar met artikel 10, lid 2, onder p), en artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48/EG voor zover zij bepalen dat met de vereisten van artikel 10, lid 2, onder p), van richtlijn 2008/48/EG strijdige contractuele bedingen voldoen aan de eisen die zijn gesteld in artikel 247, § 6, lid 2, eerste en tweede volzin, en in artikel 247, § 12, lid 1, tweede volzin, punt 2, onder b), EGBGB? Zo ja:

b)         Volgt uit het Unierecht, in het bijzonder artikel 10, lid 2, onder p), en artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48/EG, dat artikel 247, § 6, lid 2, derde volzin, en artikel 247, § 12, lid 1, derde volzin, EGBGB buiten toepassing moeten worden gelaten voor zover zij bepalen dat met de vereisten van artikel 10, lid 2, onder p), van richtlijn 2008/48/EG strijdige contractuele bedingen voldoen aan de eisen die zijn gesteld in artikel 247, § 6, lid 2, eerste en tweede volzin, en in artikel 247, § 12, lid 1, tweede volzin, punt 2, onder b), EGBGB? Ongeacht de beantwoording van de eerste prejudiciële vraag, onder a) en b):

2) Wat betreft de verplichte informatie als bedoeld in artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48/EG:

a)         Moet artikel 10, lid 2, onder p), van richtlijn 2008/48/EG aldus worden uitgelegd dat het in de kredietovereenkomst te vermelden bedrag van de rente per dag dient te worden berekend op basis van de in de overeenkomst vermelde debetrentevoet?

b)         Wat betreft artikel 10, lid 2, onder r), van richtlijn 2008/48/EG:

aa.       Moet deze bepaling aldus worden uitgelegd dat de informatie in de kredietovereenkomst over de te betalen vergoeding voor vervroegde aflossing van het kapitaal zodanig nauwkeurig moet zijn dat de consument het bedrag van de te betalen op zijn minst bij benadering kan berekenen? Ingeval de voorgaande vraag aa) bevestigend wordt beantwoord:

bb.       Verzetten artikel 10, lid 2, onder r), en artikel 14, lid 1, tweede volzin, van richtlijn 2008/48/EG zich tegen een nationale bepaling op grond waarvan de herroepingstermijn bij onvolledigheid van de in artikel 10, lid 2, onder r), van die richtlijn bedoelde informatie niettemin ingaat bij de sluiting van de overeenkomst, zodat enkel het recht van de kredietgever op een vergoeding voor de vervroegde aflossing van het krediet vervalt?

Indien ten minste één van de voorgaande vragen onder a) of b) van de tweede prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord:

c)         Moet artikel 14, lid 1, tweede volzin, onder b), van richtlijn 2008/48/EG aldus worden uitgelegd dat de herroepingstermijn pas ingaat wanneer de in artikel 10, lid 2, van die richtlijn bedoelde informatie volledig en juist is verstrekt? Zo nee:

d)         Welke criteria zijn doorslaggevend voor het ingaan van de herroepingstermijn niettegenstaande het feit dat onvolledige of onjuiste informatie is verstrekt?

Indien de voorgaande eerste prejudiciële vraag, onder a), en/of ten minste één van de vragen onder a) of b) van de tweede prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord:

3) Wat betreft het verval van het in artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2008/48/EG bedoelde herroepingsrecht:

a)         Kan het herroepingsrecht als bedoeld in artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2008/48/EG komen te vervallen? Zo ja:

b)         Gaat het bij het verval om een beperking in de tijd van het herroepingsrecht, die bij een parlementaire wet moet zijn geregeld? Zo nee:

c)         Geldt als subjectieve voorwaarde voor het verval dat de consument op de hoogte was van het voortbestaan van zijn herroepingsrecht of in elk geval verantwoordelijk is voor zijn onwetendheid ten gevolge van grove nalatigheid? Geldt dit ook voor beëindigde overeenkomsten? Zo nee:

d)         Staat de mogelijkheid van de kredietgever om de kredietnemer de in artikel 14, lid 1, tweede volzin, onder b), van richtlijn 2008/48/EG bedoelde informatie alsnog te verstrekken en daardoor de herroepingstermijn te laten ingaan, in de weg aan de toepassing van de regels inzake het verval van recht op grond van het beginsel van goede trouw? Geldt dit ook voor beëindigde overeenkomsten? Zo nee:

e)         Is dit verenigbaar met de vaste beginselen van het internationaal recht waaraan de Duitse rechter krachtens de grondwet gebonden is? Zo ja:

f)          Hoe moeten Duitse rechtsbeoefenaren een conflict tussen de dwingende bepalingen van het internationaal recht en de door het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde eisen oplossen?

4) Wat betreft de aanname dat er sprake is van misbruik van recht bij de uitoefening van het in artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2008/48/EG bedoelde herroepingsrecht:

a)         Kan de uitoefening van het in artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2008/48/EG bedoelde herroepingsrecht misbruik van recht opleveren? Zo ja:

b)         Gaat het bij de aanname dat er sprake is van misbruik van recht bij de uitoefening van het herroepingsrecht, om een beperking van het herroepingsrecht, die bij een parlementaire wet moet worden geregeld? Zo nee:

c)         Geldt als subjectieve voorwaarde voor de aanname dat er sprake is van misbruik van recht bij de uitoefening van het herroepingsrecht, dat de consument op de hoogte was van het voortbestaan van zijn herroepingsrecht of in elk geval verantwoordelijk is voor zijn onwetendheid ten gevolge van grove nalatigheid? Geldt dit ook voor beëindigde overeenkomsten? Zo nee:

d)         Staat de mogelijkheid van de kredietgever om de kredietnemer de in artikel 14, lid 1, tweede volzin, onder b), van richtlijn 2008/48/EG bedoelde informatie alsnog te verstrekken en daardoor de herroepingstermijn te laten ingaan, in de weg aan de aanname dat er sprake is van misbruik van recht bij de uitoefening van het herroepingsrecht op grond van het beginsel van goede trouw? Geldt dit ook voor beëindigde overeenkomsten? Zo nee:

e)         Is dit verenigbaar met de vaste beginselen van het internationaal recht waaraan de Duitse rechter krachtens de grondwet gebonden is? Zo ja:

f)          Hoe moeten Duitse rechtsbeoefenaren een conflict tussen de dwingende bepalingen van het internationaal recht en de door het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde eisen oplossen? Ongeacht de beantwoording van de voorgaande eerste tot en met vierde prejudiciële vraag:

5) a) Is het verenigbaar met het Unierecht dat volgens het nationale recht bij een met een koopovereenkomst gelieerde kredietovereenkomst na een geldige uitoefening van het herroepingsrecht door de consument overeenkomstig artikel 14, lid 1, van die richtlijn

aa)       het aan een consument jegens de kredietgever toekomende recht op terugbetaling van de betaalde termijnen pas kan worden ingeroepen wanneer de consument op zijn beurt het gekochte object aan de kredietgever heeft teruggegeven of heeft aangetoond dat hij het object aan de kredietgever heeft verzonden?

bb)       een vordering van de consument tot terugbetaling van de door hem betaalde termijnen na teruggave van het gekochte object thans ongegrond is en moet worden afgewezen wanneer de kredietgever niet in schuldeisersverzuim is geraakt met de inontvangstneming van het gekochte object? Zo nee:

b) Volgt uit het Unierecht dat de onder a), aa) en/of a), bb), beschreven nationale bepalingen buiten toepassing moeten worden gelaten? Ongeacht de beantwoording van de voorgaande eerste tot en met vijfde prejudiciële vraag:

6) Is § 348a, lid 2, punt 1, ZPO [Zivilprozessordnung (wetboek van burgerlijke rechtsvordering)], voor zover deze bepaling ook betrekking heeft op verwijzingsbeslissingen als bedoeld in artikel 267, tweede alinea, VWEU, onverenigbaar met de verwijzingsbevoegdheid waarover nationale rechterlijke instanties beschikken op grond van artikel 267, tweede alinea, VWEU, en moet die bepaling dus met betrekking tot het geven van verwijzingsbeslissingen buiten toepassing worden gelaten?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-33/20, C-155/20, C-187/20, C-336/20, C-38/21 en C-47/21

Specifiek beleidsterrein: EZK; FIN